6 Dec, 17:17, 95
x viewed
Mensen vragen me vaak waarom springen zo belangrijk voor me is.
Dat staat omschreven in de brief die ik een tijdje terug geschreven heb voor een of ander project, en hieronder heb bijgevoegd.
----
Op het moment dat ik dit schrijf, ben ik 27 jaar oud.
Ik ben geboren in een klein dorpje in het zuiden van Limburg, Geulle genaamd.
In het dagelijkse leven werk ik als analist op een laboratorium, en gezien de schaarste van beschikbare banen in het Zuiden des Lands was ik vijf jaar geleden genoodzaakt om naar de Randstad the verhuizen, direct na mijn afstudeerstage in Belfast.
Mijn hobby’s zijn lezen, skiën, klassieke muziek, dwarsfluit spelen – en parachutespringen.
Vroeger op de basisschool en middelbare school werd ik flink gepest, en daarom was ik een stille, rustige, en vooral ook onzekere jongen geworden. Geleidelijk aan begon ik steeds minder te ondernemen of zelfs maar uit te gaan, tot ik op een gegeven moment niets anders meer deed dan een keer per jaar te gaan skiën, en het spelen in twee verschillende orkesten, die respectievelijk op vrijdagavond en zondagochtend repeteren. het was het leven van en grijze muis, en ik was niet echt gelukkig hoewel ik niet precies kon aangeven wat eraan scheelde, of wat er aan mijn leven ontbrak.
Plotseling werd mijn leven echter radicaal op zijn kop gezet. Binnen een week verloor ik mijn baan vanwege een gebrek aan geld, hetgeen altijd een risico is voor laboranten, en dreigde ik ook nog eens mijn huis kwijt te raken toen mijn huisgenoot onverwachts de huur moest opzeggen. Ik ging er bijna aan onderdoor, maar toen haalde ik diep adem en maakte ik me kwaad. Binnen een week had ik een nieuwe baan, en een overeenkomst gesloten met mijn makelaar, zodat ik ondanks dat ik veel te weinig verdien toch in mijn huis kon blijven wonen. Toen alles eenmaal achter de rug was, voelde ik me beter en gelukkiger dan ik in maanden gedaan had. Blijkbaar was een uitdaging precies wat ik nodig had.
Toen kreeg ik voor mijn verjaardag een boekje van een van mijn vrienden: “100 dingen die je gedaan moet hebben in je leven”. Stom ding, de meeste activiteiten zijn van het kaliber “bladvulling”: “schrijf een bestseller”, “Kijk deze films” “Ga op een popconcert backstage om met een popster the n...” en meer van dat soort fraais.
Maar toen sloeg ik een bladzijde om en las ik “Ga parachutespringen”.
Ik had zoiets van, Wat!? waarom zou ik dat nou willen doen?
Ik staarde met een nietsziende blik naar de muur, tot het antwoord op mijn eigen vraag plotseling volkomen duidelijk werd:
Waarom niet?
Ik keek hier en daar wat rond op internet, en het bleek dat een tandemsprong met video bij de meeste springcentra in Nederland zo rond de 270 euro kostte. Dit was slechts iets goedkoper dan een basisopleiding volgens het zogeheten “static-line” traject, die gemiddeld rond de 340 euro kost. Goed, dan heb je wel geen vrije val, maar je kunt wel alles zelf doen – en je krijgt vijf sprongen in plaats van een.
Static-line dus. Als zou blijken dat springen helemaal niks voor mij was en ik nooit een tweede sprong zou durven maken, was dat nog niet eens zo heel erg. Want dan was ik slechts een beetje meer geld kwijt dan een tandemsprong gekost zou hebben.
Zou het echter onnoemelijk gaaf zijn, dan spaarde ik me de kosten van zo’n tandemsprong uit, en was ik al meteen bezig met een opleiding om zelf te leren springen.
Er was echter een probleem. Ik zou een medische verklaring nodig hebben om aan de opleiding deel te nemen, die mij specifiek goedkeurde voor het maken van parachutesprongen.
Dit probleem bestond uit het feit dat ik vroeger last had van een lichte vorm van epilepsie. Gedurende mijn hele leven heb ik nog geen twintig aanvallen gehad, maar als ik een aanval krijg is dat een klassieke grande mal, de stereotype “vis op het droge”-variant.
Op dat moment was ik ongeveer drie en een half jaar aanvalsvrij (laatste aanval feb. 2002), dus ik maakte me geen zorgen dat ik plotseling weer een aanval zou krijgen – mits ik mijn medicijnen bleef slikken.
Want ik was nu ruim vijftien jaar aanvalsvrij geweest als ik niet zo stom was geweest om op eigen houtje met mijn medicijnen te stoppen toen ik terugkwam uit Belfast. Waar ik me echter wel zorgen over maakte, waren de vooroordelen over epilepsie.
Jan Modaal denkt nog steeds dat epilepsiepatiënten tegen zichzelf beschermd moeten worden, en vooral niet blootgesteld dienen te worden aan potentiële epileptische stimuli.
Maar het is niet zo eenvoudig als het lijkt. Epilepsie is namelijk voor iedere patiënt verschillend. Wat bij de één een aanval opwekt, heeft bij de ander misschien helemaal geen effect.
Zo heb ikzelf bijvoorbeeld geen last van stroboscopische flitslampen, hoewel ik ze gruwelijk irritant vind, en heb ik evenmin problemen met warmte, vocht, stress, frustratie of verlaagde zuurstofgehaltes (denk aan skiën in gebieden op 3000m hoogte). In tegendeel, de aanvallen die ik me kan herinneren kwamen allen na verveling, slaperigheid of slaap.
Dus ging ik het internet weer op om een aantal wetenschappelijke artikelen over epilepsie en sport in het algemeen te lezen. Kort samengevat staan in geen enkel artikel wetenschappelijk onderbouwde argumenten waarom een epilepticus niet zou mogen sporten, al wordt er wel gesmeten met termen als “ volgens het gezond verstand”, “lijkt ons” en “uiteraard” moeten epileptici niet sporten.
O ja?
Wie denken ze wel niet dat ze zijn, om voor mij te bepalen welke risico’s wel en niet acceptabel zijn, enkel en alleen op basis van gezond verstand? Ze kennen mij en mijn situatie niet eens!
Ik heb wel eens horen zeggen dat “leven met een teleurstelling beter is dan een fataal ongeluk”, maar misschien denkt de patiënt in kwestie er anders over? Wist je trouwens dat een zware teleurstelling óók een aanval kan opwekken, als deze patiënt toevallig gevoelig is voor die prikkel?
Het was dus persoonlijk geworden.
Ik was vastbesloten om the gaan springen, en om niet afhankelijk te hoeven zijn van een tandemmaster. Dus nam ik contact op met het Parachutisten Centrum Midden Nederland middels een enorm lange email, waarin ik mijn situatie uit de doeken deed. Daarbij vroeg ik ook of ze bereid zouden zijn mij aan te nemen ondanks mijn medische verleden. Ik kreeg als antwoord dat men niet erg goed op de hoogte was van epilepsie, maar dat er indien ik door de medische keuring heen kwam geen bezwaar zou zijn om mij de opleiding te laten volgen. Ook kreeg ik de tip om inderdaad de static-line opleiding te doen, omdat dan de hoogte waarvan gesprongen wordt geleidelijk aan opgebouwd wordt. (Aan de andere kant, bij de AFF opleiding, waarbij je meteen vanaf 4 km springt, heb je twee instructeurs bij je voor het geval er iets fout gaat, maar dat is een eindeloze discussie. maar ik kon de intensieve AFF-cursus toch niet betalen.)
Hoe het ook zij, ik kon met een redelijk gerust hart naar de sportkeuringsarts toestappen.
Tijdens het intake gesprek kwam ik met een zeer gedetailleerd verhaal over waarom ik vond dat ik zonder extra risico’s kon gaan parachutespringen. Ik had diverse wetenschappelijke artikelen over sport in het algemeen en epilepsie naast elkaar gezet. Ik betoogde dat het lichaam inderdaad een bepaalde neurotransmitter (NGF) aangemaakt bleek te hebben na een epileptische aanval, maar de door mij opgevraagde artikelen toonden niet aan of dat de oorzaak of het gevolg was van de aanval. Is het de kip of het ei?
De sportkeuringsarts luisterde geduldig naar mijn verhaal, terwijl hij met zijn armen achter zijn hoofd gevouwen achterover leunde in zijn stoel en breed glimlachte.
Toen ik klaar was met mijn verhaal vertelde hij me dat de slechte oude tijd, waarin epilepsiepatiënten geacht werden om de hele dag met een dwangbuis aan en een zak over hun kop in een rolstoel te zitten allang voorbij waren. Tegenwoordig keek de medische wetenschap meer naar wat de patiënt zelf wilde, als er niet genoeg bekend was over een bepaald onderwerp om een definitief advies te kunnen geven. Hij zei ook dat het duidelijk was dat ik een goede afweging van de risico’s had gemaakt, en dat er in eerste instantie geen reden was om me niet goed te keuren. Ook hoefde ik geen EEG te laten maken of de uitgebreide sportkeuring te ondergaan, de basiskeuring volstond. De hoop bloeide in me op, en ik denk dat als ik op dat punt gezakt zou zijn wegens zwakke enkels of iets dergelijks ik dan in tranen zou zijn uitgebarsten. Maar ik kwam zonder problemen door de keuring heen.
Ik schreef me dus in voor de eerste de beste cursus die PCMN gaf, en vertelde daarna aan mijn ouders dat ik wilde gaan parachutespringen en daarvoor al de medische keuring had gehad.
Ze keken elkaar eventjes raar aan, maar steunden mijn besluit.
22 september was het dan zover, ik begon aan de theorie-opleiding tot sportparachutist.
Deze is nogal omvangrijk, en duurt anderhalve dag. Het is echt niet zo dat men zegt zo van, dit is een parachute, dat is een vliegtuig – en succes. Je mag pas “omhoog” als de instructeurs ervan overtuigd zijn dat je ook daadwerkelijk alle basisvaardigheden beheerst. Dit wordt getoetst aan de hand van een theorie-examen, en een practisch examen, waarbij je in een parachuteharnas aan het plafond wordt opgehangen, en waarbij je met name moet laten zien dat je de noodprocedure snel en beheerst kunt uitvoeren.
Helaas kon mijn eerste sprong door omstandigheden niet diezelfde dag plaatsvinden, en moest ik nog een hele week aftellen. Maar 30 september 2006 was de grote dag; ik zat voor het eerst In De Deur. Ik weet nog heel goed dat ik naar beneden keek en hoe onwerkelijk het was om zo hoog boven de grond te zitten (3500 voet, ongeveer 1 km). Het landschap leek net een lappendeken. Toen keek ik over mijn schouder naar de instructrice die mij begeleidde, zoals mij dat geleerd was.
“READY?” riep ze, over het geluid van de propeller en de razende wind heen.
“YES” brulde ik terug.
“GO!”
Tijdens de opleiding word je gedrild om te GO’en zodra de instructeur GO roept. Ik GO’de dan ook zonder er verder bij na te denken en zette me flink af. Op het moment dat ik het vliegtuig verliet, gedurende het eindeloze moment dat ik ware stilhang in de lucht trokken al mijn spieren zich samen en kneep ik mijn ogen stijf dicht. Terwijl ik valsnelheid begon op te bouwen sperden mijn ogen zich wijd open, en schreeuwde elk instinct dat het menselijk lichaam nog bezit uit dat ik te pletter ging vallen.
Plotseling leek ik abrupt te stoppen met vallen, en kegelde ik achterover waarbij naar mijn gevoel mijn enkels mijn oren passeerden. Ik was zo verbaasd dat het gevoel van machteloze paniek als bij toverslag verdween. “Wat was dat nou? Ow ja... ik had ook nog zo’n overmaatse zakdoek bij me. En ik moest iets van een parachutecontrole uitvoeren...”
Ik zag dat ik een zogenaamde “Line Twist”, of “Twist” had, een eenvoudig op te lossen “storing” aan de parachute, die meestal ontstaat als gevolg van een niet stabiele houding tijdens de opening. Het ziet er een beetje uit als vroeger op de schommel, als je de kettingen in elkaar draaide terwijl je erop zat. Tijdens de grondopleiding wordt je uitgebreid geleerd wat je moet doen als je deze of een andere eenvoudige storing tegenkomt.
Ik had het al helemaal voor me gezien, tijdens mijn eerste sprong zou ik een twist krijgen! Ik lachte, loste de twist op en begon met mijn parachute te vliegen.
Op dat moment wist ik dat ik verslaafd was; alle andere dingen in mijn leven waren plotseling een stuk minder belangrijk geworden dan het opnieuw kunnen springen, hetgeen betekende dat ik mijn maandelijkse budget redelijk rigoreus opnieuw moet gaan indelen. Van tevoren had ik bedacht dat ik het beste een weekend in de maand kon gaan springen om zo mijn opleidingssprongen, waarvan er vijf bij je cursusgeld zitten inbegrepen, over een zo lang mogelijke periode uit te kunnen smeren. Toen mijn voeten voor het eerst de grond raakten was me duidelijk dat dit geen optie was; al snel besloot ik iedere zaterdag zo veel mogelijk te springen, en iedere maand een keer ook op zondag. Maar zoals al mijn vrienden en kennissen kunnen beamen, het ging van kwaad tot erger naarmate ik verder kwam in het aanlooptraject tot mijn A-brevet.
Nu is de Nederlandse winter gezien de weersomstandigheden niet bepaald de beste periode om als nieuwe leerling veel sprongen te kunnen maken, maar toch bracht ik heel wat uurtjes op de dropzone door.
Er waren altijd wel ervaren springers en instructeurs om gezellig mee te kletsen, of andere leerlingen om enge verhalen mee uit te wisselen. Ook werd er nogal eens een biertje gepakt en gepokerd, of gewoon bordspelletjes gedaan. In het allerergste geval was er altijd wel iemand bereid om me steeds beter te leren hoe je zo’n parachute-kreng nu precies dichtvouwt, wat in het begin een hele opgave is. Maar het vouwen ging steeds sneller en beter, naarmate ik meer vouwles kreeg, terwijl ik in (en uit) het vliegtuig stapte bij elke gelegenheid die ik kreeg.
In april, na mijn toevallig ontzettend slechte twintigste sprong, kwam ik er bij toeval achter dat geen enkele instructeur op de hoogte was van mijn “speciale medische omstandigheden”. De persoon waarmee ik voor mijn opleiding e-mails mee had uitgewisseld had er niet aan gedacht om ook de instructieploeg in te lichten, omdat hij (terecht) vond dat dat niet zijn verantwoordelijkheid was. Ik was er aan de andere kant zo van overtuigd dat ik mijn plicht had gedaan, en dat niets mijn springcarrière nog in de weg stond, dat ik er geen moment meer aan gedacht had. Daarom besloot ik om mezelf aan de grond te zetten tot ik de kans had gehad om met de Chef-instructeur te praten. Dit zou een maand duren.
De Chef-instructeur vroeg wat ik precies wenste te bereiken met ons gesprek, aangezien hij me had leren kennen als een persoon die bewust om kon gaan met risico’s, en dat hij dus geen reden zag om mij niet te laten springen.
Ik antwoordde dat ik me er gewoon niet lekker bij voelde als de instructieploeg de verantwoordelijkheid om mij te laten springen op zich moest nemen wanneer zij niet van alle feiten op de hoogte was. Hij knikte, en zei dat ik vooral door moest blijven springen; hij zou de andere instructeurs inlichten op de eerstvolgende vergadering.
Een tijdje na die vergadering vroeg de instructrice die mij begeleid had tijdens mijn twintigste sprong waarom ik zo lang gewacht had met het maken van de volgende. Was ik door de slechte ervaring soms een beetje uit het veld geslagen?
Ik keek haar verbaasd aan. “Hebben jullie het tijdens de instructie bijeenkomst dan niet over mij gehad?”
Ze maakte een wegwerpend gebaar. “Ja, we hebben het wel gehad over een anoniem persoon, maar....”
“Nou,” viel ik haar in de rede, “dat was ik dus.”
Met andere woorden, de Chef-instructeur had het niet nodig gevonden om mij met naam te noemen, waarvoor ik hem heel erg dankbaar ben. Op deze wijze gaf hij mij de kans om het op mijn manier aan mensen te vertellen wanneer ik daar klaar voor ben.
Maar gedurende het afgelopen jaar heb ik ontdekt dat para’s wat zoiets betreft over het algemeen heel tolerant zijn. Omgekeerd kunnen mensen die wel eventjes de stoere bink uit komen hangen omdat ze toevallig ooit Idols gewonnen hebben op weinig sympathie rekenen.
Het maakt niet uit wat je successen of je tekortkomingen buiten de dropzone zijn, het gaat er voornamelijk om hoe en met welke instelling je jezelf presenteert aan je medespringers. Wat dat betreft is het een heel eigen wereldje.
Hoe het ook zij, de instructeurs vonden het op zich geen probleem dat de “anonieme persoon” wilde springen – mits deze persoon contact opnam met de afdeling van de KNVvL die het sportparachutespringen in Nederland reguleert. Misschien dat er een vervangende medische verklaring of iets dergelijks geregeld moest worden.
Dat heb ik dus gedaan, en de mevrouw naar wie ik doorverwezen werd was nogal... gematigd in haar antwoord. Ze zei dat medicamenten die de hersenfunctie beïnvloeden gewoonweg niet zijn toegestaan, maar dat ze zou kijken wat ze voor me kon doen.
Hoewel ik tijdens het wachten op antwoord een aantal sprongen heb gemaakt, sliep ik slecht en had ik af en toe zelfs nachtmerries. Ik kon me niet voorstellen hoe ik gereageerd zou hebben als ik om puur bureaucratische redenen niet meer zou mogen springen. Als dit van tevoren gebeurd was, en ik nog nooit had gesprongen zou ik alleen maar heel erg boos en teleurgesteld zijn geweest, maar nu ik eenmaal geproefd had wat ik de rest van mijn leven zou moeten missen?
Pieker, pieker, pieker...
Maar uiteindelijk kwam alles goed, ik bleek te zijn doorverwezen naar de verkeerde contactpersoon. De mevrouw waarmee ik getelefoneerd had bleek te gaan over het besturen van vliegtuigen, en niks te maken te hebben met het uitstappen uit diezelfde vliegtuigen. Om de een of andere reden (niet dat je mij hoort klagen) zijn de eisen voor parachutespringen een stuk minder stringent dan die voor piloten van kleine (zweef)vliegtuigen.
Ik kreeg van het hoofdbureau een nieuwe contactpersoon, en deze was een stuk optimistischer.
Gezien het feit dat ik reeds een medische verklaring bezat, ried hij me aan om deze zorgvuldig te bewaren, en te bewaken met mijn leven. Mocht ik ooit een verlenging nodig hebben, kon ik het beste naar de arts toegaan die de verklaring oorspronkelijk uitgegeven had.
Het enige probleem dat mijn nieuwe contactpersoon in theorie kon voorzien, was dat mijn verzekering misschien wel eens kon weigeren uit te keren in het geval dat ik een ongeluk zou krijgen. Het is moeilijk te bewijzen dat je geen aanval hebt gehad tijdens de kritieke sprong terwijl je in het ziekenhuis ligt – of erger. Onschuldig tot het tegendeel is bewezen geldt zeker alleen maar voor criminelen...
Maar gezien het feit dat noch de epilepsieverpleegkundige die ik geraadpleegd had, noch mijn sportkeuringsarts bezwaren hadden opgeworpen tegen het parachutespringen an sich, zag mijn contactpersoon niet hoe een verzekeraar in het ergste geval een rechtzaak zou kunnen winnen.
Helemaal gelukkig sprong ik weer vrolijk verder.
De nieuwe vrienden, de manier van leven, de adrenaline, het gevoel van totale vrijheid, het volledig opgaan in een sprong – ik kon me niet voorstellen dat allemaal te moeten missen.
Tot ik mijn vijfenvijftigste sprong maakte.
Ik had een “terminale reserve”, hetgeen betekent dat ik de noodprocedure moest uitvoeren terwijl ik nog steeds met terminale snelheid (+ 200 km/h) aan het vallen was – een nogal onaangename ervaring. Ik had me voorgenomen om mijn parachute op een kilometer boven de grond te openen, maar ik greep op het moment suprème naast het systeem dat de hoofdparachute gesloten hield. In zo’n geval telt elke seconde. Gelukkig heb je als beginnend springer een zogenaamde “automatische opener” bij je, een soort luchtdrukmeter die bij een bepaalde vooraf ingestelde luchtdruk (hoogte) en snelheid de reserveparachute opent. Maar het is en blijft een backup-systeem; je kunt en mag er nooit 100% op vertrouwen.
Uiteindelijk was het een fotofinish tussen mij en mijn automatische opener wie van ons de reserveparachute getrokken heeft.
De eerste hoogte waarvan ik me bewust ben is 1000 voet, ofwel 300 meter boven de grond. Deze afstand leg je in vrije val in zo’n vijf seconden af. Drie seconden later, en ik was tegen de grond gekwakt nog voor de lijnen van mijn reserveparachute volledig gestrekt zouden zijn....
Op zo’n geringe hoogte ben je normaalgesproken bezig met je landingscircuit, en er was dan ook geen tijd meer om uitgebreid te wennen aan hoe de reserveparachute vliegt. Daarom maakte ik een pijnlijke landing in een sloot omdat dat de beste van mijn opties op dat moment was, en bezeerde mijn enkel.
Ik had heel veel geluk gehad, maar ik ging een maand van “treurig omhoog kijken terwijl het goed weer is” tegenmoet.
Iedere dag zette ik een streepje op de muur, tot ik eindelijk weer het vliegtuig in kon stappen.
Naarmate het vliegtuig dichter bij de afspring hoogte kwam ging ik steeds harder zweten, en ik kan u verzekeren dat dat niet van de hitte was. Ik ben nog nooit in mijn leven zo bang geweest als tijdens die klim. Toen de deur open ging begon mijn hart pas echt als een razende tekeer te gaan. Toen was het mijn beurt om te springen – en eruit gegaan ben ik!
Stijf als een plank, en om mijn as tuimelend als een idioot, maar ik heb het wel gedaan.
Toen nam mijn training de besturing van mijn lichaam van mijn angst over. Ik schopte met mijn rechtervoet, trok mijn rug hol (“archen”) en voor ik het wist lag ik stabiel op mijn buik.
Terwijl ik ontspande slaakte ik een diepe zucht van verlichting.
Toen keek ik op mijn hoogtemeter, en zag dat er pas een paar seconden sinds de “exit” verstreken waren.
Ik was terug!
Wat me achteraf het meest verbaasd is dat, ondanks de vele slapeloze nachten en nachtmerries en zelfs gedurende die angstaanjagende vlucht, geen enkele keer de gedachte om nooit meer te gaan springen zelfs maar in me op is gekomen. Springen betekent gewoon teveel voor me. Maar misschien is dat juist ook het enge; je weet dat je er uit gaat, wat er verder ook gebeurt.
Ik ben heel erg veranderd sinds ik ben gaan parachutespringen. Ik heb veel meer zelfvertrouwen, ben een stuk gelukkiger, en ben een heleboel tijd kwijt aan het doelloos naar de lucht staren en aan het terugdenken aan de extra spectaculaire sprongen die ik in mijn korte springcarrière al gemaakt heb. Eigenlijk is het feit dat ik parachutespringen, en wat het voor me betekent, niet jaren geleden ontdekt heb het enige waar ik spijt van heb. Parachutespringen heeft me zoveel over mezelf geleerd; over de persoon die ik daadwerkelijk ben, in plaats van de persoon waarvoor ik niet wilde dat anderen me aanzagen. En als je iets graag genoeg wil, is er altijd wel een oplossing te vinden.
Ja; ik ben heel trots op het feit dat ik een skydiver ben. Niet omdat ik denk dat ik beter ben dan mensen die dat niet zijn, maar vooral om het feit dat iedere sprong die afgetekend wordt in mijn logboek; iedere nieuwe techniek die ik leer een persoonlijke overwinning is op de mensen die personen zoals ik tegen zichzelf willen beschermen. Hun overbezorgde houding is natuurlijk alleen maar goed bedoeld, maar ik word er kotsmisselijk van.
Het feit dat ik met dit verhaal naar buiten durf te treden is een van de vele manieren waarop parachutespringen mij veranderd heeft.
Ik heb me gerealiseerd dat de meeste mensen me niet als minder zullen beschouwen wanneer zij mijn verhaal zullen kennen. En voor de paar eikels waarbij dat wel het geval is, ach, dat is toch niet het type mensen waarmee ik mezelf wens te associëren. Probleem opgelost.
Mijn advies aan andere mensen is dat als je eerste reactie bij het idee van het maken van een (duo)sprong iets anders is dan een gevoel van paniek en dat je keihard en reflexmatig “NEE” roept, je het gewoon moet proberen.
Los daarvan, jaag je dromen na.
Het is het waard.
Dennis van der Coelen,
(Springvergunning 112332, 98 sprongen tot nu toe.)