Member details
 Show in normal design
Favorite blogs
Links
 
28 Mar, 18:02
Ik heb een baan!
Ik heb een hele mooie splinternieuwe baan,
Nu moet ik vanaf Juli elke dag naar Utrecht gaan.
Daar ga ik werken bij een bedrijf,
Dat dat leuk wordt dat staat geheel buiten kijf.

Ik heb een baan!
Ik heb een hele mooie splinternieuwe baan,
Nu moet ik vanaf Juli elke dag naar Utrecht gaan.
Daar ga ik werken bij een bedrijf,
Dat dat leuk wordt dat staat geheel buiten kijf.
en ik ga reizen in de trein niet voor de gein,
Daarna wat lopen dat is heel goed voor de lijn.
Het zal nogal een uitdaging zijn.

Nu doe ik proefjes maar straks krijg ik een projec(t),
Veel verantwoording ook dat lijkt me te gek.
Antilichamen onderzoeken,
En ook veel door microscopen loeken

Ik heb een baan!
Ik heb een hele mooie splinternieuwe baan,
Nu moet ik vanaf Juli elke dag naar Utrecht gaan.
Daar ga ik werken bij een bedrijf,
Dat dat leuk wordt dat staat geheel buiten kijf.

Genmab gaat mijn nieuwe werkgever zijn,
Ik heb een splinternieuwe baan hij is van mij(n).
Daar gaan we werken (hard) met zijn allen,
Bij dat bedrijf gaan we met zijn allen knallen.
Ik heb een hele mooie splinternieuwe baan,
Als analist kan ik weer aan de arbeid gaan.
Antilichamen onderzoeken,
En ook veel door microscopen loeken.

Ik heb een baan!
Ik heb een hele mooie splinternieuwe baan,
Nu moet ik vanaf Juli elke dag naar Utrecht gaan.
Daar ga ik werken bij een bedrijf,
Dat dat leuk wordt dat staat geheel buiten kijf.

Ik heb een baan!
Ik heb een hele mooie splinternieuwe baan,
Nu moet ik vanaf Juli elke dag naar Utrecht gaan.
Daar ga ik werken bij een bedrijf,
Dat dat leuk wordt dat staat geheel buiten kijf.
Dit verhaal had ik eigenlijk willen bewaren voor het uitgebreide blog dat ik ben aan het schrijven. Ik verwacht dat ik het tegen het einde van het jaar wel zo'n beetje af heb aangezien het niet alleen maar over parachutespringen gaat.
Tot die tijd is hier op speciaal verzoek het verhaal van mijn 78e sprong..

---

Een van onze piloten was op een goede dag bezig om de nieuwste aanwinst binnen de pilotengroep van PCMN te leren hoe men para’s dropt. Hiervoor hadden ze slachtoffers nodig in de vorm van para’s die als proefkonijn konden dienen.

Ze gebruikten de Cessna 182, waarin plaats is voor vier personen, de piloot niet meegerekend.
Aangezien de ervaren piloot meemoest voor de morele steun tussen die rare paras, alsook voor het geven van aanwijzingen, waren er dus drie plaatsen over.
Sabeth, een vriendin van me, bood aan om jumpmaster te spelen in deze stick, en vroeg aan mij en een medeleerling of we mee wilden gaan. Tot mijn verbazing droeg ze niet haar normale helm, die het hele hoofd bedekt (een “full face helm”), maar slechts een geel brilletje. Ze ziet mijn opgetrokken wenkbrauwen, en legt uit dat een full face de communicatie beperkt, en gezien het feit dat dit de eerste keer is dat de piloot para’s dropt, wil ze niks aan het toeval overlaten.
Ik knik, maar vraag me af waarom ze dan geen open leerlingenhelm draagt. Maar goed, ze heeft haar C-brevet, en weet vast wel wat ze doet.
Het plan was dat mijn medeleerling er op 3500 voet (ook wel “drie en een half” genoemd) uit zou gaan en dan meteen na drie seconden zijn parachute zou openen; een zogenaamde “clear and pull” of CP. Mijn lieftallige jumpmaster en ik zouden dan doorgaan naar 6000 ft, en een gelinkte exit maken. Dit was de maximaal haalbare hoogte in verband met de wolken.
De nieuwe piloot kondigde over de radio aan dat hij twee sticks zou vliegen, waarvan een naar 3,5 en een naar 6. In plaats daarvan had hij moeten zeggen dat hij een stick met twee verschillende afspringhoogtes had. Zijn instructeur nam echter de moeite niet om hem te corrigeren – “dat mag ie zelf doen, vanuit de lucht”, sprak hij met een brede grijns.
Onze nieuwe piloot had nog nooit een C182 gevlogen, al had hij wel al ruim 20 jaar ervaring in de commerciële luchtvaartsector. Vandaar dat een paar van de minder belangrijke systemen moesten worden aangewezen door zijn instructeur.
Hierbij vertaalde ik een en ander in het Engels, omdat mijn medeleerling geen Nederlands spreekt.
“Daar zit de intercom,” wees de instructeur.
“That’s for starting the engine,” vertaalde ik.
“Nee, je GPS zit daar,” klonk het.
“The spinny thingy up front generates lift,” zei ik met een stalen gezicht.
Mijn medeleerling begint te lachen. “Now I know you’re bullshitting me!”

Toen waren we klaar voor take-off. Ondanks alle praatjes was ik toch best opgelucht toen we eenmaal veilig en wel opgestegen waren. Het vliegtuig begon gestaag te klimmen. Heel erg gestaag, naar mijn mening.
Toen we dan uiteindelijk op 3,5 waren, ging de piloot wat vroeg op jump run; de koers (tegen de wind in) die de springers de beste mogelijkheid geeft terug te komen bij de gewenste landingszone. Bij de C182 is het zo dat niet de springers, maar de piloot de deur moet open doen.
“Deur!” riep de piloot.
“Nee, da’s jouw taak,” aldus de instructeur.
Oh.
De piloot opent de deur, en zoals gewoonlijk neemt het geluidsniveau in het vliegtuigje flink toe nu de wind naar binnen raast.
Sabeth steekt haar hoofd uit de deur, en bepaalt het daadwerkelijke exit punt. Dan klimt mijn medeleerling uit het vliegtuig, gaat op de trede staan die aan de wielstrut is bevestigd en maakt een perfecte clear & pull. De piloot sluit de deur, maar geeft hierbij per ongeluk nogal een slinger aan zijn stuurknuppel of voetroer, zodat het vliegtuigje een wilde zwenkbeweging maakt.
Sabeth en ik kijken elkaar aan. Ik weet niet hoe het met haar zit, maar ik ben heel erg blij dat ik een parachute omheb. Stiekem voel ik of alle hendels nog op hun plaats zitten – check.
Over het lawaai van de motor roept Sabeth dat ze erg te spreken is over de CP van mijn medeleerling. Ze is echter minder enthousiast over de plek waar ze hem uit het vliegtuig heeft gezet, want ondanks dat ze geruime tijd met haar hoofd buiten de deur heeft gezeten was ze nog steeds wat aan de vroege kant met OK geven. Hierdoor was mijn medeleerling het vliegtuig uitgegaan toen hij nog “downwind” van de dropzone was en daarom zal hij waarschijnlijk moeite hebben om terug bij het veld te komen.

Intussen lijken de wolken erg rap dichterbij te komen en ik begin me af te vragen of we überhaupt wel 6000 voet “krijgen”...
In de relatieve stilte nu de deur dicht is, roept Sabeth dat we er hoe dan ook gelinkt uit gaan; of we nou vijf of vier krijgen, maar in dat geval moet ik na tien seconden openen, wat er ook gebeurt. Ik knik, maar ik hoop stiekem dat we minstens 5 krijgen. Ik hou wel van ruime veiligheidsmarges. Ik bedoel, met mij komt het wel goed, daar twijfel ik niet aan, maar zij moet nog omdraaien en wegtracken. Natuurlijk, ze is een ervaren springster en weet goed waar ze mee bezig is, maar toch..

Wie of wat er daarboven ook zit, mijn gebeden werden verhoord. Op vijfduizend voet raakten de vleugels van het vliegtuig nog maar nauwelijks de wolken. Het vliegtuig gaat tegen de wind in vliegen, en wederom gaar de deur open en steekt Sabeth haar hoofd naar buiten.
Zodra ze OK geeft klim ik zoals gepland op de trede, net zoals mijn medeleerling voor mij.
Toen moest ik mijn linkerhand verplaatsen van de handgreep (die van buitenaf gezien rechts naast de deur zit) naar de linkerdeurpost om zo Sabeth beter de gelegenheid te geven de grips op mijn overall vast te pakken. Deze manoeuvre diende uitgevoerd te worden terwijl ik me met mijn rechterhand stevig vasthield aan de wingstrut en ik met mijn voeten op de trede balanceerde.

Heb je dan geen last van de wind, zult u zich afvragen.
Nou, nogal ja. Op het moment dat ik mijn linkerhand loslaat lazer ik bijna achterover van de trede (of “step”) af. Ik maak een maaiende beweging met mijn linkerarm om mijn evenwicht te bewaren en tot mijn schrik raak ik daarbij iets. Met grote ogen kijk ik naar Sabeth, maar die is druk bezig met op haar plaats te gaan staan en reageert niet.
Ik kom tot de conclusie dat ik dan vast het vliegtuig ergens heb geraakt of iets dergelijks, en pak de deurpost alsnog beet. (later vertelde ze me dat ik haar “een dreun gaf, dat ze bijna terug het vliegtuig in viel. Doe efficiënt, klim vast mee naar buiten, weet je wel..”)
Ze kijkt me aan en knikt om aan te geven dat ze er klaar voor is. Dan geef ik met mijn rechterbeen het teken om af te springen. We maken een prima exit, en terwijl onze neerwaartse snelheid almaar hoger wordt kijken we elkaar aan. Ze kijkt scheel (opzettelijk, van zichzelf doet ze dat niet) en ik steek mijn tong uit en schud met mijn hoofd. Dan zie ik iets “raars” in haar lichaamstaal en ik kijk haar onzeker aan. Doe ik iets verkeerd?
Ze komt dichterbij.

Een “kiss-pass”, realiseer ik me plotseling. Wat lief!
Ik presenteer mijn wang, en sluit mijn ogen terwijl ik mijn zoentje in ontvangst neem.
Ze blijft liggen, dus ik maak me klaar om terug te zoenen.
Ik sluit wederom mijn ogen, maar sper ze vervolgens wagenwijd open als ik haar per ongeluk vol op haar mond zoen.
Ik denk, kut – wat doe ik nou!
Helemaal stijf van de schrik kijk ik haar aan, maar haar ogen kijken vanuit haar gezien naar rechts weg terwijl ze zich concentreert op het achteruit gaan vliegen en het krijgen van een hogere valsnelheid.
Na twee of drie seconden kijkt ze me aan. Ik realiseer me met een schok dat ik moet openen en reik naar mijn ripcord.

Na de landing had ik grote moeite met het onder controle krijgen van mijn parachute, de wind had besloten dat het wel grappig zou zijn deze weer op te blazen en ermee aan de haal te gaan, mij hierdoor enkele meters meeslepend. Een instructeur moest me te hulp komen.
Heel timide liep ik naar het busje waarmee we terug naar de club zouden rijden en waar Sabeth al met een andere instructrice stond te praten.
Ik was net op tijd om haar te horen zeggen:
“Ja, en Dennis die is dan zo netjes dat hij je zijn wang toekeert – maar ik had zoiets van, ‘k dacht het niet!”
Dan, zich naar mij omdraaiend, “Was je erg geschrokken? Ik moest je zelfs nog een signaal geven om te openen.”

Ik zweer dat ik dat handgebaar niet eens gezien heb. Zo groot was mijn opluchting toen ik zag dat haar ogen lachten toen ze omhoog keek.
6 Dec, 17:17
Mensen vragen me vaak waarom springen zo belangrijk voor me is.
Dat staat omschreven in de brief die ik een tijdje terug geschreven heb voor een of ander project, en hieronder heb bijgevoegd.

----

Op het moment dat ik dit schrijf, ben ik 27 jaar oud.
Ik ben geboren in een klein dorpje in het zuiden van Limburg, Geulle genaamd.
In het dagelijkse leven werk ik als analist op een laboratorium, en gezien de schaarste van beschikbare banen in het Zuiden des Lands was ik vijf jaar geleden genoodzaakt om naar de Randstad the verhuizen, direct na mijn afstudeerstage in Belfast.
Mijn hobby’s zijn lezen, skiën, klassieke muziek, dwarsfluit spelen – en parachutespringen.

Vroeger op de basisschool en middelbare school werd ik flink gepest, en daarom was ik een stille, rustige, en vooral ook onzekere jongen geworden. Geleidelijk aan begon ik steeds minder te ondernemen of zelfs maar uit te gaan, tot ik op een gegeven moment niets anders meer deed dan een keer per jaar te gaan skiën, en het spelen in twee verschillende orkesten, die respectievelijk op vrijdagavond en zondagochtend repeteren. het was het leven van en grijze muis, en ik was niet echt gelukkig hoewel ik niet precies kon aangeven wat eraan scheelde, of wat er aan mijn leven ontbrak.
Plotseling werd mijn leven echter radicaal op zijn kop gezet. Binnen een week verloor ik mijn baan vanwege een gebrek aan geld, hetgeen altijd een risico is voor laboranten, en dreigde ik ook nog eens mijn huis kwijt te raken toen mijn huisgenoot onverwachts de huur moest opzeggen. Ik ging er bijna aan onderdoor, maar toen haalde ik diep adem en maakte ik me kwaad. Binnen een week had ik een nieuwe baan, en een overeenkomst gesloten met mijn makelaar, zodat ik ondanks dat ik veel te weinig verdien toch in mijn huis kon blijven wonen. Toen alles eenmaal achter de rug was, voelde ik me beter en gelukkiger dan ik in maanden gedaan had. Blijkbaar was een uitdaging precies wat ik nodig had.

Toen kreeg ik voor mijn verjaardag een boekje van een van mijn vrienden: “100 dingen die je gedaan moet hebben in je leven”. Stom ding, de meeste activiteiten zijn van het kaliber “bladvulling”: “schrijf een bestseller”, “Kijk deze films” “Ga op een popconcert backstage om met een popster the n...” en meer van dat soort fraais.
Maar toen sloeg ik een bladzijde om en las ik “Ga parachutespringen”.
Ik had zoiets van, Wat!? waarom zou ik dat nou willen doen?
Ik staarde met een nietsziende blik naar de muur, tot het antwoord op mijn eigen vraag plotseling volkomen duidelijk werd:
Waarom niet?

Ik keek hier en daar wat rond op internet, en het bleek dat een tandemsprong met video bij de meeste springcentra in Nederland zo rond de 270 euro kostte. Dit was slechts iets goedkoper dan een basisopleiding volgens het zogeheten “static-line” traject, die gemiddeld rond de 340 euro kost. Goed, dan heb je wel geen vrije val, maar je kunt wel alles zelf doen – en je krijgt vijf sprongen in plaats van een.
Static-line dus. Als zou blijken dat springen helemaal niks voor mij was en ik nooit een tweede sprong zou durven maken, was dat nog niet eens zo heel erg. Want dan was ik slechts een beetje meer geld kwijt dan een tandemsprong gekost zou hebben.
Zou het echter onnoemelijk gaaf zijn, dan spaarde ik me de kosten van zo’n tandemsprong uit, en was ik al meteen bezig met een opleiding om zelf te leren springen.

Er was echter een probleem. Ik zou een medische verklaring nodig hebben om aan de opleiding deel te nemen, die mij specifiek goedkeurde voor het maken van parachutesprongen.
Dit probleem bestond uit het feit dat ik vroeger last had van een lichte vorm van epilepsie. Gedurende mijn hele leven heb ik nog geen twintig aanvallen gehad, maar als ik een aanval krijg is dat een klassieke grande mal, de stereotype “vis op het droge”-variant.
Op dat moment was ik ongeveer drie en een half jaar aanvalsvrij (laatste aanval feb. 2002), dus ik maakte me geen zorgen dat ik plotseling weer een aanval zou krijgen – mits ik mijn medicijnen bleef slikken.
Want ik was nu ruim vijftien jaar aanvalsvrij geweest als ik niet zo stom was geweest om op eigen houtje met mijn medicijnen te stoppen toen ik terugkwam uit Belfast. Waar ik me echter wel zorgen over maakte, waren de vooroordelen over epilepsie.
Jan Modaal denkt nog steeds dat epilepsiepatiënten tegen zichzelf beschermd moeten worden, en vooral niet blootgesteld dienen te worden aan potentiële epileptische stimuli.
Maar het is niet zo eenvoudig als het lijkt. Epilepsie is namelijk voor iedere patiënt verschillend. Wat bij de één een aanval opwekt, heeft bij de ander misschien helemaal geen effect.
Zo heb ikzelf bijvoorbeeld geen last van stroboscopische flitslampen, hoewel ik ze gruwelijk irritant vind, en heb ik evenmin problemen met warmte, vocht, stress, frustratie of verlaagde zuurstofgehaltes (denk aan skiën in gebieden op 3000m hoogte). In tegendeel, de aanvallen die ik me kan herinneren kwamen allen na verveling, slaperigheid of slaap.
Dus ging ik het internet weer op om een aantal wetenschappelijke artikelen over epilepsie en sport in het algemeen te lezen. Kort samengevat staan in geen enkel artikel wetenschappelijk onderbouwde argumenten waarom een epilepticus niet zou mogen sporten, al wordt er wel gesmeten met termen als “ volgens het gezond verstand”, “lijkt ons” en “uiteraard” moeten epileptici niet sporten.

O ja?

Wie denken ze wel niet dat ze zijn, om voor mij te bepalen welke risico’s wel en niet acceptabel zijn, enkel en alleen op basis van gezond verstand? Ze kennen mij en mijn situatie niet eens!
Ik heb wel eens horen zeggen dat “leven met een teleurstelling beter is dan een fataal ongeluk”, maar misschien denkt de patiënt in kwestie er anders over? Wist je trouwens dat een zware teleurstelling óók een aanval kan opwekken, als deze patiënt toevallig gevoelig is voor die prikkel?

Het was dus persoonlijk geworden.
Ik was vastbesloten om the gaan springen, en om niet afhankelijk te hoeven zijn van een tandemmaster. Dus nam ik contact op met het Parachutisten Centrum Midden Nederland middels een enorm lange email, waarin ik mijn situatie uit de doeken deed. Daarbij vroeg ik ook of ze bereid zouden zijn mij aan te nemen ondanks mijn medische verleden. Ik kreeg als antwoord dat men niet erg goed op de hoogte was van epilepsie, maar dat er indien ik door de medische keuring heen kwam geen bezwaar zou zijn om mij de opleiding te laten volgen. Ook kreeg ik de tip om inderdaad de static-line opleiding te doen, omdat dan de hoogte waarvan gesprongen wordt geleidelijk aan opgebouwd wordt. (Aan de andere kant, bij de AFF opleiding, waarbij je meteen vanaf 4 km springt, heb je twee instructeurs bij je voor het geval er iets fout gaat, maar dat is een eindeloze discussie. maar ik kon de intensieve AFF-cursus toch niet betalen.)
Hoe het ook zij, ik kon met een redelijk gerust hart naar de sportkeuringsarts toestappen.
Tijdens het intake gesprek kwam ik met een zeer gedetailleerd verhaal over waarom ik vond dat ik zonder extra risico’s kon gaan parachutespringen. Ik had diverse wetenschappelijke artikelen over sport in het algemeen en epilepsie naast elkaar gezet. Ik betoogde dat het lichaam inderdaad een bepaalde neurotransmitter (NGF) aangemaakt bleek te hebben na een epileptische aanval, maar de door mij opgevraagde artikelen toonden niet aan of dat de oorzaak of het gevolg was van de aanval. Is het de kip of het ei?
De sportkeuringsarts luisterde geduldig naar mijn verhaal, terwijl hij met zijn armen achter zijn hoofd gevouwen achterover leunde in zijn stoel en breed glimlachte.
Toen ik klaar was met mijn verhaal vertelde hij me dat de slechte oude tijd, waarin epilepsiepatiënten geacht werden om de hele dag met een dwangbuis aan en een zak over hun kop in een rolstoel te zitten allang voorbij waren. Tegenwoordig keek de medische wetenschap meer naar wat de patiënt zelf wilde, als er niet genoeg bekend was over een bepaald onderwerp om een definitief advies te kunnen geven. Hij zei ook dat het duidelijk was dat ik een goede afweging van de risico’s had gemaakt, en dat er in eerste instantie geen reden was om me niet goed te keuren. Ook hoefde ik geen EEG te laten maken of de uitgebreide sportkeuring te ondergaan, de basiskeuring volstond. De hoop bloeide in me op, en ik denk dat als ik op dat punt gezakt zou zijn wegens zwakke enkels of iets dergelijks ik dan in tranen zou zijn uitgebarsten. Maar ik kwam zonder problemen door de keuring heen.
Ik schreef me dus in voor de eerste de beste cursus die PCMN gaf, en vertelde daarna aan mijn ouders dat ik wilde gaan parachutespringen en daarvoor al de medische keuring had gehad.
Ze keken elkaar eventjes raar aan, maar steunden mijn besluit.
22 september was het dan zover, ik begon aan de theorie-opleiding tot sportparachutist.
Deze is nogal omvangrijk, en duurt anderhalve dag. Het is echt niet zo dat men zegt zo van, dit is een parachute, dat is een vliegtuig – en succes. Je mag pas “omhoog” als de instructeurs ervan overtuigd zijn dat je ook daadwerkelijk alle basisvaardigheden beheerst. Dit wordt getoetst aan de hand van een theorie-examen, en een practisch examen, waarbij je in een parachuteharnas aan het plafond wordt opgehangen, en waarbij je met name moet laten zien dat je de noodprocedure snel en beheerst kunt uitvoeren.
Helaas kon mijn eerste sprong door omstandigheden niet diezelfde dag plaatsvinden, en moest ik nog een hele week aftellen. Maar 30 september 2006 was de grote dag; ik zat voor het eerst In De Deur. Ik weet nog heel goed dat ik naar beneden keek en hoe onwerkelijk het was om zo hoog boven de grond te zitten (3500 voet, ongeveer 1 km). Het landschap leek net een lappendeken. Toen keek ik over mijn schouder naar de instructrice die mij begeleidde, zoals mij dat geleerd was.
“READY?” riep ze, over het geluid van de propeller en de razende wind heen.
“YES” brulde ik terug.
“GO!”
Tijdens de opleiding word je gedrild om te GO’en zodra de instructeur GO roept. Ik GO’de dan ook zonder er verder bij na te denken en zette me flink af. Op het moment dat ik het vliegtuig verliet, gedurende het eindeloze moment dat ik ware stilhang in de lucht trokken al mijn spieren zich samen en kneep ik mijn ogen stijf dicht. Terwijl ik valsnelheid begon op te bouwen sperden mijn ogen zich wijd open, en schreeuwde elk instinct dat het menselijk lichaam nog bezit uit dat ik te pletter ging vallen.
Plotseling leek ik abrupt te stoppen met vallen, en kegelde ik achterover waarbij naar mijn gevoel mijn enkels mijn oren passeerden. Ik was zo verbaasd dat het gevoel van machteloze paniek als bij toverslag verdween. “Wat was dat nou? Ow ja... ik had ook nog zo’n overmaatse zakdoek bij me. En ik moest iets van een parachutecontrole uitvoeren...”
Ik zag dat ik een zogenaamde “Line Twist”, of “Twist” had, een eenvoudig op te lossen “storing” aan de parachute, die meestal ontstaat als gevolg van een niet stabiele houding tijdens de opening. Het ziet er een beetje uit als vroeger op de schommel, als je de kettingen in elkaar draaide terwijl je erop zat. Tijdens de grondopleiding wordt je uitgebreid geleerd wat je moet doen als je deze of een andere eenvoudige storing tegenkomt.
Ik had het al helemaal voor me gezien, tijdens mijn eerste sprong zou ik een twist krijgen! Ik lachte, loste de twist op en begon met mijn parachute te vliegen.
Op dat moment wist ik dat ik verslaafd was; alle andere dingen in mijn leven waren plotseling een stuk minder belangrijk geworden dan het opnieuw kunnen springen, hetgeen betekende dat ik mijn maandelijkse budget redelijk rigoreus opnieuw moet gaan indelen. Van tevoren had ik bedacht dat ik het beste een weekend in de maand kon gaan springen om zo mijn opleidingssprongen, waarvan er vijf bij je cursusgeld zitten inbegrepen, over een zo lang mogelijke periode uit te kunnen smeren. Toen mijn voeten voor het eerst de grond raakten was me duidelijk dat dit geen optie was; al snel besloot ik iedere zaterdag zo veel mogelijk te springen, en iedere maand een keer ook op zondag. Maar zoals al mijn vrienden en kennissen kunnen beamen, het ging van kwaad tot erger naarmate ik verder kwam in het aanlooptraject tot mijn A-brevet.

Nu is de Nederlandse winter gezien de weersomstandigheden niet bepaald de beste periode om als nieuwe leerling veel sprongen te kunnen maken, maar toch bracht ik heel wat uurtjes op de dropzone door.
Er waren altijd wel ervaren springers en instructeurs om gezellig mee te kletsen, of andere leerlingen om enge verhalen mee uit te wisselen. Ook werd er nogal eens een biertje gepakt en gepokerd, of gewoon bordspelletjes gedaan. In het allerergste geval was er altijd wel iemand bereid om me steeds beter te leren hoe je zo’n parachute-kreng nu precies dichtvouwt, wat in het begin een hele opgave is. Maar het vouwen ging steeds sneller en beter, naarmate ik meer vouwles kreeg, terwijl ik in (en uit) het vliegtuig stapte bij elke gelegenheid die ik kreeg.
In april, na mijn toevallig ontzettend slechte twintigste sprong, kwam ik er bij toeval achter dat geen enkele instructeur op de hoogte was van mijn “speciale medische omstandigheden”. De persoon waarmee ik voor mijn opleiding e-mails mee had uitgewisseld had er niet aan gedacht om ook de instructieploeg in te lichten, omdat hij (terecht) vond dat dat niet zijn verantwoordelijkheid was. Ik was er aan de andere kant zo van overtuigd dat ik mijn plicht had gedaan, en dat niets mijn springcarrière nog in de weg stond, dat ik er geen moment meer aan gedacht had. Daarom besloot ik om mezelf aan de grond te zetten tot ik de kans had gehad om met de Chef-instructeur te praten. Dit zou een maand duren.
De Chef-instructeur vroeg wat ik precies wenste te bereiken met ons gesprek, aangezien hij me had leren kennen als een persoon die bewust om kon gaan met risico’s, en dat hij dus geen reden zag om mij niet te laten springen.
Ik antwoordde dat ik me er gewoon niet lekker bij voelde als de instructieploeg de verantwoordelijkheid om mij te laten springen op zich moest nemen wanneer zij niet van alle feiten op de hoogte was. Hij knikte, en zei dat ik vooral door moest blijven springen; hij zou de andere instructeurs inlichten op de eerstvolgende vergadering.

Een tijdje na die vergadering vroeg de instructrice die mij begeleid had tijdens mijn twintigste sprong waarom ik zo lang gewacht had met het maken van de volgende. Was ik door de slechte ervaring soms een beetje uit het veld geslagen?
Ik keek haar verbaasd aan. “Hebben jullie het tijdens de instructie bijeenkomst dan niet over mij gehad?”
Ze maakte een wegwerpend gebaar. “Ja, we hebben het wel gehad over een anoniem persoon, maar....”
“Nou,” viel ik haar in de rede, “dat was ik dus.”
Met andere woorden, de Chef-instructeur had het niet nodig gevonden om mij met naam te noemen, waarvoor ik hem heel erg dankbaar ben. Op deze wijze gaf hij mij de kans om het op mijn manier aan mensen te vertellen wanneer ik daar klaar voor ben.
Maar gedurende het afgelopen jaar heb ik ontdekt dat para’s wat zoiets betreft over het algemeen heel tolerant zijn. Omgekeerd kunnen mensen die wel eventjes de stoere bink uit komen hangen omdat ze toevallig ooit Idols gewonnen hebben op weinig sympathie rekenen.
Het maakt niet uit wat je successen of je tekortkomingen buiten de dropzone zijn, het gaat er voornamelijk om hoe en met welke instelling je jezelf presenteert aan je medespringers. Wat dat betreft is het een heel eigen wereldje.

Hoe het ook zij, de instructeurs vonden het op zich geen probleem dat de “anonieme persoon” wilde springen – mits deze persoon contact opnam met de afdeling van de KNVvL die het sportparachutespringen in Nederland reguleert. Misschien dat er een vervangende medische verklaring of iets dergelijks geregeld moest worden.
Dat heb ik dus gedaan, en de mevrouw naar wie ik doorverwezen werd was nogal... gematigd in haar antwoord. Ze zei dat medicamenten die de hersenfunctie beïnvloeden gewoonweg niet zijn toegestaan, maar dat ze zou kijken wat ze voor me kon doen.
Hoewel ik tijdens het wachten op antwoord een aantal sprongen heb gemaakt, sliep ik slecht en had ik af en toe zelfs nachtmerries. Ik kon me niet voorstellen hoe ik gereageerd zou hebben als ik om puur bureaucratische redenen niet meer zou mogen springen. Als dit van tevoren gebeurd was, en ik nog nooit had gesprongen zou ik alleen maar heel erg boos en teleurgesteld zijn geweest, maar nu ik eenmaal geproefd had wat ik de rest van mijn leven zou moeten missen?
Pieker, pieker, pieker...

Maar uiteindelijk kwam alles goed, ik bleek te zijn doorverwezen naar de verkeerde contactpersoon. De mevrouw waarmee ik getelefoneerd had bleek te gaan over het besturen van vliegtuigen, en niks te maken te hebben met het uitstappen uit diezelfde vliegtuigen. Om de een of andere reden (niet dat je mij hoort klagen) zijn de eisen voor parachutespringen een stuk minder stringent dan die voor piloten van kleine (zweef)vliegtuigen.
Ik kreeg van het hoofdbureau een nieuwe contactpersoon, en deze was een stuk optimistischer.
Gezien het feit dat ik reeds een medische verklaring bezat, ried hij me aan om deze zorgvuldig te bewaren, en te bewaken met mijn leven. Mocht ik ooit een verlenging nodig hebben, kon ik het beste naar de arts toegaan die de verklaring oorspronkelijk uitgegeven had.
Het enige probleem dat mijn nieuwe contactpersoon in theorie kon voorzien, was dat mijn verzekering misschien wel eens kon weigeren uit te keren in het geval dat ik een ongeluk zou krijgen. Het is moeilijk te bewijzen dat je geen aanval hebt gehad tijdens de kritieke sprong terwijl je in het ziekenhuis ligt – of erger. Onschuldig tot het tegendeel is bewezen geldt zeker alleen maar voor criminelen...
Maar gezien het feit dat noch de epilepsieverpleegkundige die ik geraadpleegd had, noch mijn sportkeuringsarts bezwaren hadden opgeworpen tegen het parachutespringen an sich, zag mijn contactpersoon niet hoe een verzekeraar in het ergste geval een rechtzaak zou kunnen winnen.
Helemaal gelukkig sprong ik weer vrolijk verder.
De nieuwe vrienden, de manier van leven, de adrenaline, het gevoel van totale vrijheid, het volledig opgaan in een sprong – ik kon me niet voorstellen dat allemaal te moeten missen.

Tot ik mijn vijfenvijftigste sprong maakte.
Ik had een “terminale reserve”, hetgeen betekent dat ik de noodprocedure moest uitvoeren terwijl ik nog steeds met terminale snelheid (+ 200 km/h) aan het vallen was – een nogal onaangename ervaring. Ik had me voorgenomen om mijn parachute op een kilometer boven de grond te openen, maar ik greep op het moment suprème naast het systeem dat de hoofdparachute gesloten hield. In zo’n geval telt elke seconde. Gelukkig heb je als beginnend springer een zogenaamde “automatische opener” bij je, een soort luchtdrukmeter die bij een bepaalde vooraf ingestelde luchtdruk (hoogte) en snelheid de reserveparachute opent. Maar het is en blijft een backup-systeem; je kunt en mag er nooit 100% op vertrouwen.
Uiteindelijk was het een fotofinish tussen mij en mijn automatische opener wie van ons de reserveparachute getrokken heeft.
De eerste hoogte waarvan ik me bewust ben is 1000 voet, ofwel 300 meter boven de grond. Deze afstand leg je in vrije val in zo’n vijf seconden af. Drie seconden later, en ik was tegen de grond gekwakt nog voor de lijnen van mijn reserveparachute volledig gestrekt zouden zijn....

Op zo’n geringe hoogte ben je normaalgesproken bezig met je landingscircuit, en er was dan ook geen tijd meer om uitgebreid te wennen aan hoe de reserveparachute vliegt. Daarom maakte ik een pijnlijke landing in een sloot omdat dat de beste van mijn opties op dat moment was, en bezeerde mijn enkel.
Ik had heel veel geluk gehad, maar ik ging een maand van “treurig omhoog kijken terwijl het goed weer is” tegenmoet.

Iedere dag zette ik een streepje op de muur, tot ik eindelijk weer het vliegtuig in kon stappen.
Naarmate het vliegtuig dichter bij de afspring hoogte kwam ging ik steeds harder zweten, en ik kan u verzekeren dat dat niet van de hitte was. Ik ben nog nooit in mijn leven zo bang geweest als tijdens die klim. Toen de deur open ging begon mijn hart pas echt als een razende tekeer te gaan. Toen was het mijn beurt om te springen – en eruit gegaan ben ik!
Stijf als een plank, en om mijn as tuimelend als een idioot, maar ik heb het wel gedaan.
Toen nam mijn training de besturing van mijn lichaam van mijn angst over. Ik schopte met mijn rechtervoet, trok mijn rug hol (“archen”) en voor ik het wist lag ik stabiel op mijn buik.
Terwijl ik ontspande slaakte ik een diepe zucht van verlichting.
Toen keek ik op mijn hoogtemeter, en zag dat er pas een paar seconden sinds de “exit” verstreken waren.
Ik was terug!

Wat me achteraf het meest verbaasd is dat, ondanks de vele slapeloze nachten en nachtmerries en zelfs gedurende die angstaanjagende vlucht, geen enkele keer de gedachte om nooit meer te gaan springen zelfs maar in me op is gekomen. Springen betekent gewoon teveel voor me. Maar misschien is dat juist ook het enge; je weet dat je er uit gaat, wat er verder ook gebeurt.

Ik ben heel erg veranderd sinds ik ben gaan parachutespringen. Ik heb veel meer zelfvertrouwen, ben een stuk gelukkiger, en ben een heleboel tijd kwijt aan het doelloos naar de lucht staren en aan het terugdenken aan de extra spectaculaire sprongen die ik in mijn korte springcarrière al gemaakt heb. Eigenlijk is het feit dat ik parachutespringen, en wat het voor me betekent, niet jaren geleden ontdekt heb het enige waar ik spijt van heb. Parachutespringen heeft me zoveel over mezelf geleerd; over de persoon die ik daadwerkelijk ben, in plaats van de persoon waarvoor ik niet wilde dat anderen me aanzagen. En als je iets graag genoeg wil, is er altijd wel een oplossing te vinden.

Ja; ik ben heel trots op het feit dat ik een skydiver ben. Niet omdat ik denk dat ik beter ben dan mensen die dat niet zijn, maar vooral om het feit dat iedere sprong die afgetekend wordt in mijn logboek; iedere nieuwe techniek die ik leer een persoonlijke overwinning is op de mensen die personen zoals ik tegen zichzelf willen beschermen. Hun overbezorgde houding is natuurlijk alleen maar goed bedoeld, maar ik word er kotsmisselijk van.
Het feit dat ik met dit verhaal naar buiten durf te treden is een van de vele manieren waarop parachutespringen mij veranderd heeft.
Ik heb me gerealiseerd dat de meeste mensen me niet als minder zullen beschouwen wanneer zij mijn verhaal zullen kennen. En voor de paar eikels waarbij dat wel het geval is, ach, dat is toch niet het type mensen waarmee ik mezelf wens te associëren. Probleem opgelost.

Mijn advies aan andere mensen is dat als je eerste reactie bij het idee van het maken van een (duo)sprong iets anders is dan een gevoel van paniek en dat je keihard en reflexmatig “NEE” roept, je het gewoon moet proberen.


Los daarvan, jaag je dromen na.


Het is het waard.


Dennis van der Coelen,
(Springvergunning 112332, 98 sprongen tot nu toe.)


13 Dec 2006, 20:08
(Parachutistencentrum Midden Nederland, www.pcmn.nl)


Yeah! Let's skydive!

Ik heb eindelijk mijn eerste vrije val gemaakt! Sorry voor de lange radiostilte, maar ik ben nu pas in de gelegenheid er over te bloggen. Thuis internetten is een feest.

Op de video die een maat van mij geschoten heeft, zie je Denniske op de rand van het vliegtuig zitten. Hij kijkt in de camera, en dan naar de jumpmaster, die buiten beeld zit.
Na groen licht zet hij zich af.
Precies op het goede moment opent de chute.

Tot mijn grote verbazing komt het geheel een beetje over als "mwoh, na die vorige duizend sprongen kan deze er ook nog wel bij", maar ik kan je garanderen, die vijf seconden vrije val zijn nu nog steeds bezig!

De sprong op zich ging iets minder, want het waaide een beetje hard.
Ik was enorm afgedreven, en op drieduizend voet zweette ik al peentjes of ik het veld wel zou halen. Aan die kant van vliegveld Hilversum zijn namelijk alleen maar bomen.
Goed, er waren wel een paar hele kleine grasveldjes downwind, maar dat durfde ik echt niet aan. ad ik bomen aan vier kanten gehad, in plaats van twee.
Ik maak me dus zo klein mogelijk, en vlieg zo goed mogelijk tegen de wind in.
2000 voet. Ik zweet nog steeds.
1500 voet.Oeioeioeioeioeioeioeioei....
1000 voet. Slik. Maar desnoods ga ik op de parkeerplaats staan. Grind is altijd beter dan een boom.
500 voet. Ik ga het WEL halen!
250 voet. phew..
Ik land..en de mensen op de parkeerplaats beginnen te juichen en te klappen. Die dachten zeker dat ik expres zo kort boven hun hoofden langs kwam scheren.
Wat zij niet wisten, en ik sterk vermoedde, was dat ik op de in gebruik zijnde landingsbaan terecht was gekomen.
Dus als de neten mijn chute opgefrot, en naar de dichtstbijzijnde kant gelopen.
Werner was zo aardig om mij met een busje speciaal te komen halen. Voor de zekerheid kreeg ik op de club nog eens preceis uitgelegd hoe de banen lopen, en de opmerking dat ik niet naar de dichtstbijzijnde kant moest lopen, maar gewoon dwars van de baan weg.
Ow ja.. had ik zelf eigenlijk ook wel kunnen verzinnen..
Maar ik leef dus nog, en ik kan niet wachten tot het januari is. Dan mag ik weer.
Als je namelijk aan je acht sprongen zit, moet je lid worden van de KNVvL, en dat gaat per half jaar.
Beetje zonde geld voor die paar weken, zeg maar.
En €63 is geen kattepis.
Daar heb je ook twee hoge sprongen voor.
Maar met dat goede weer afgelopen zaterdag moest ik toch even slikken, zeg maar.

To be continued..
6 Nov 2006, 21:16
Datum: Zaterdag 4 november 2006.
Locatie: Westbroek.
Hoogte: 5000 Ft.
Exit: redelijk
Ongemak: Een flinke twist. Moest goed mijn best doen die eruit te krijgen. Maar ik was het zelf schuld, dat scheelt.

Bijzonderheden: Mijn eerste dummy. Dat is toch eventjes anders dan op de grond oefenen, dus was ik er teveel mee bezig tijdens het afspringen. Ik trok dus niet goed hol. Bovendien moet je terwijl je met je rechterhand aan je dummy ripcord trekt (net een echte, maar hij gaat niet naar het openingssysteem van je chute) met je linkerhand naar je helm gaan. Dat was ik in de hitte van de strijd eventjes vergeten. Stel u een vliegtuig met slechts een vleugel voor; je gaat om je as draaien. Maar intussen zit je wel nog aan het vliegtuig vast, dat je chute opentrekt, en aangezien die chute gewoon rechtuit gaat, draaien je lijnen dus in de knoop.
Volgende keer beter.

Verder was dit mijn eerste buitenlanding; dat wil zeggen dat je niet op het veld staat waar je moet landen.
In plaats daarvan stond ik tussen de andere koeien (Mmmmooeeh) met aan vier kanten een sloot en nergens een bruggetje te bekennen. Mooie landing, dat wel.
Alleen beetje jammer dat de dropzone zowat een kilometer verderop lag..
15 Oct 2006, 14:25
Datum: Zaterdag 14 oktober 2006.
Locatie: Westbroek.
Hoogte: 5000 Ft.
Exit: goed
Ongemak: Alweer een twistsje. Nu weet ik het wel, zeg maar.

Bijzonderheden: Geen stommiteiten uitgehaald, eerste exit uit de TGC, eerste keer door de wolken, eerste keer met relatief hoge (grond)windsnelheid, eerste landingscircuit waar ik tevereden over ben.

Vanwege het feit dat er uit de TGC anders afgesprongen wordt dan uit de STL was het verstandiger de dummy nog even uit te stellen.
9 Oct 2006, 08:57
Datum: Zondag 8 oktober 2006.
Locatie: Westbroek.
Hoogte: 5000 Ft.
Exit: goed.
Ongemak: twist(je).
Stommiteiten: Met de wind mee geland, met als resultaat een dikke enkel.

Bijzonderheden: Omdat de exit goed was, mag ik volgende keer met dummy-ripcord springen, dwz. ik mag gaan leren de parachute zelf te openen.
Het is gelukt!

Zaterdag heb ik maar liefst twee sprongen weten te maken, van een hoogte van 3500 Ft.
Niet hoog natuurlijk, maar je moet ergens beginnen.

Mijn eerste sprong.
Ik zat klaar in de deur, en kijk mijn Jumpmaster Aukje lieftallig aan.
"Ready?" brult ze
"Yes" antwoord ik, al dan niet verstaanbaar.
"Go!"
Ik zet me af, en op het moment dat ik het vliegtuig uit ben, schreeuwt iedere vezel in mijn lichaam 'Wat doe je nu!? Achterlijke mongool!'
Alvorens ik echter de tijd heb om bang te worden, kiep ik naar mijn idee achterover, en word me gewaar van een soort doek boven mijn hoofd.
Oh, ja. De parachute.. die was al open.
Parachutecontrole.

Hm.. lijnen ineen gedraaid.
Ik trek met aan iedere kant twee vingers aan mijn riser, en maak met mijn rechterbeen één skateboardende beweging.
Hop, en de twist is weg.
Meh. Als dat alles is..
Hoogtecheck: 3000 Ft.
Tijd zat.

Ik maak een prima landing, die echter niet geheel volgens het boekje ingezet is, maar volgens de ervaren springers mag ik best tevreden zijn.

De tweede sprong ging echter beduidend minder.
Ten eerste had ik weer een (zij het wederom simpel op te lossen) twist
Ik was in de war met de hoogtelijnen van de vorige sprong. Naar mijn idee zat ik op 3000 ft. al op de 1000 ft. lijn.
Eh, en nu?
Dat ligt voor de hand. Stuur naar waar je wil zijn. Je bent hoog genoeg dat anderen die op de juiste hoogte zitten er geen last van hebben dat je de verkeerde kant op gaat.
Niet aan gedacht in de hitte van de strijd. Sorry..
Dus ik besloot rondjes te draaien, scherpe bochten te maken, en te proberen te dalen naar 1000 ft.
Dit had tot gevolg dat ik eer ik echt op 1000ft at, al afgedreven was naar de 250 ft. lijn, en er zelfs al enorm overheen zat.
Op een gegeven moment besloot ik het parcours het parcours te laten, en gewoon zo goed mogelijk te landen.
Door puur geluk kwam ik redelijk terug bij de dropzone, alleen vloog ik schuin.
eer ik dat had gecorrigeerd vloog ik recht boven, en evenwijdig aan de sloot op geringe hoogte.
Ik corrigeer, en schat in dat ik er net overheen kom.
Tijd om vol in de ankers te gaan.
Maar ik was nog bezig met de sloot achter me, en dacht er niet aan om in de val-houding te gaan "staan".
Ik kom dus op mijn voeten terecht, en kiep voorover.
Gelukkig kan ik ook zo om valbreken, dankzij mijn karatelessen van vroeger.
Al met al toch nog een boterzachte landing, temeer omdat ik midden in een koeievlaai terechtkwam.

En nou weer opnieuw aftellen tot de volgende sprong...
25 Sep 2006, 13:03
Hee.

Een Blogje van Dennis.

Tsja.
Afgelopen weekend was bijzonder genoeg dat ik dat toch even met jullie wil delen.

Vrijdag was namelijk de oratie van mijn oude, eh, vorige baas, Guy Boeckxstaens, die tot hoogleraar werd benoemd.
Leuk praatje, alleen begon de oratie om half drie in plaats van twee uur, zoals in mijn uitnodiging stond, dus dat stuurde mijn schema ietsjes in de war.
Ik moest namelijk uiterlijk om half vijf thuis weg.

Dan had ik wel kunnen weglopen direct nadat Guy klaar was, maar Paul Fockens moest ook nog, dus ja, dan kun je dat slecht maken, nietwaar?

Ook dat was een heel leuk praatje, al moet ik als ik eerlijk wens te zijn bekennen dat ik aan het einde toch wel een beetje zat van, “kut, kut, moel eens door kael..”
Het was iets van half vier, kwart voor vier.
Ik wil achteraan sluiten in de welbekende felicitatierij als ik me de tijd realiseer.
Ik MOEST weg, hoe vervelend dat ook is.
Dus na een paar voormalige collega’s van het Expgen laboratorium van me afgetrapt te hebben (“sorry, volgende week, maar ik MOET nu weg..” ) rende ik zo snel ik kon naar de metro.
Die reed voor mijn neus weg, dus moest ik nog een minuutje of tien wachten.
Eenmaal in Reigersbos aangekomen, rende ik zo snel ik kon naar huis, rukte een stapel boterhammen uit de kast, en propte die tezamen met een halve droogworst in mijn tas.
Halverwege de overkant van de straat realiseerde ik me dat mijn speciaal gekochte gymschoenen nog in de gang stonden mooi te wezen, dus ik ging ze snel halen, en rende weer naar de metro.
Nou ja, rende.. Het was een zware tas. Maar ik liep best wel snel, hoor!

Niet snel genoeg, zo zou blijken.
Wederom reed de metro voor mijn neus weg, en moest ik tien minuten wachten.
Op Duivendrecht aangekomen liep ik nu al twintig minuten achter op schema.
Gelukkig bleek er ook om twee voor half een stoptrein naar Hollandsche Rading te gaan.
Ik daar ingestapt, niks aan de hand.
Met een beetje geluk en een beetje stevig doorlopen kan ik alles nog in de geplande tijdmarge opvangen.

Ik kom aan op Hollandsche Rading, en kijk op mijn kaartje dat ik van 9292ov.nl had gedownload.
Ik hou mijn kaartje ondersteboven
En nog een keer.
En op de zijkant
En de andere zijkant.

Hm.

Ik kijk maar eens op het kaartje van het station.
Helaas bleek dat een andere schaal te zijn, en het verkeerde gedeelte van de omgeving te laten zien.
Hierdoor stonden er geen herkenningspunten van het ene kaartje op het andere, en omgekeerd.
Dus waar moest ik nou naartoe?

Ik loop naar de weg, en vraag aan een meneer die in zijn auto zat te roken welke kant het vliegveld op is.
“Die kant,” wees hij, “Maar waar moet je zijn dan?”
-“eh, bij de springclub”, antwoord ik.
“Oh, dan mag je achterin, dan breng ik je wel effe.”
Nou, fijn! Ik stap in, en trek de deur dicht. (Kids don’t try this at home!)

De meneer krijgt telefoon.
Zijn passagier heeft de trein uit Utrecht gemist, en hij komt een half uur later.
Ik krijg dit mee, en als de meneer ophangt, zeg ik “Nou, pech gehad dan” en wil uitstappen.
De deur blijkt op kinderslot te zitten, en ik schrik me helemaal de vinkentering, zoals dat met een mooi woord schijnt te heten.
Als ik voorzichtig probeer het raam een heel klein stukje te openen, lukt dat wel.
“Nou, dan zet ik jou maar eerst even af,” zegt mijn chauffeur.
Mijn kaartje indachtig, let ik scherp op hoe de man rijdt, maar de route lijkt aannemelijk.
Hij wijst me zelfs de snackbar aan tegenover de weg die je moet inslaan om bij het clubgebouw te komen, en benadrukt dat je de andere weg zeker niet moet nemen.
Als hij stopt bij het clubgebouw, zegt hij “alsjeblieft, je bent er.”
Wanneer ik hem erop attendeer dat de deur op kinderslot zit, verschiet hij helemaal “Oh, sorry.. je zal wel gedacht hebben.”
Zo zie je maar weer, aardige mensen bestaan echt nog. De meneer bleek bij onze buren te horen, de zweefvliegers. En in het kader van het “de ene hand wast de andere-beleid” van de twee clubs...
Neemt trouwens niet weg ik peentjes gezweet heb.

Binnengekomen bleek dat ik ruim op tijd was, aangezien Wil Wiegerink, degene die de inschrijvingen afhandelt, pas de volgende dag bleek te komen.
Fyyyyjn...
Maar ja, daar zat ik dan.
Om me heen werd druk gekletst over de weersomstandigheden daarboven, en over allerlei mysterieuze termen als exit op 12000 Ft en zo.
Dus ik heb wel even als ‘ne gepopden uul bij een groepje gestaan, zoals wij Limbo’s zeggen, maar toen dat groepje buiten ging zitten, ben ik er maar niet achteraan gelopen.
Ook dorst ik niet goed wat te gaan drinken, want er was geen barman, men moest zelf nemen. En om dat meteen al op je eerste avond te doen, of iemand toe te brullen om iets voor je in te schenken is ook weer zoiets, weet je wel.

Dik een half uur later ging een meisje met drie jongens een rondleiding doen.
“Zijn dit de andere nieuwen?” vraag ik aan zo’n jongen.
Hij kijkt me raar aan.
Nou goed, dan loop ik er ook maar achteraan nietwaar?
Op een gegeven moment wordt Een Van Die Jongens, die later Vincent zal blijken te heten, geroepen voor de cursus.
Nou, dan moet ik ook vast daarbij wezen nietwaar?
Dus tot grote verbazing van iedereen loop ook ik naar het cursuslokaal.

De opleiding werd door drie (hulp)instructeurs gegeven: Koos, Erik en Joost, die elkaar tijdens lessen afwisselden. Verder hadden we bekijks van Werner en Bart, die ook hulpinstructeur wilden worden, en dus op ons mochten oefenen.
Ik ben de Nederlandse Taal en Letterkunde niet geheel machtig, dus ik schrijf de eigennamen gewoon zoals die me met mijn boerenverstand/zaagsel aannemelijk lijken.

Behalve mezelf en Vincent dus waren er nog twee anderen, Bas en Kim.
Bas had al eens een tandemsprong gemaakt, maar nog nooit solo gesprongen. Vincent had jaren geleden al eens gesprongen, en zou vandaag eigenlijk alleen maar bij zijn vrienden toekijken. Maar het was hem toch weer beginnen te kriebelen, dus daarom was hij dus op het laatste moment bij de opleiding aangeschoven. of iets dergelijks begreep ik eruit.
Kim, het varken, had gewoon een opleiding gewonnen, en hoeft er dus niet eens voor te betalen!

De cursus zag er als volgt uit: Vrijdagavond van 19.00-22.30 een heleboel theorie, waarbij je (goddank) niks hoefde op te schrijven. De filosofie daarachter was dat als men zit te schrijven verslapt de aandacht, krijg je de helft niet mee, en zit je wat te slapen tussendoor.
Nu werd alles telkens herhaald, en door het telkens te moeten opdreunen ken je ‘meteen’ alles van buiten.
Zo oefende men heel vaak de checklist met ons waarmee je je parachute controleert, en ook die van hoe je je reserveparachute moet openen.
Verder hebben we die eerste dag vanalle informatie voor onze kiezen gekregen, maar wanneer wat precies aan bod is gekomen loopt me een beetje door mekaar.
Aan het eind van de les bleek dat ik de enige was die bleef slapen, wat inhoudt dat je moederziel alleen in een clubgebouw in da middel of nowhere ligt.
Ach ja, precies Kindervakantiewerk zullen we maar zeggen.

Toen we na de cursus aan de bar stonden, was Koos met enkele andere ervaren springers horrorverhalen aan het uitwisselen. Ineens kijkt hij me aan, en zegt, “Dennis, les 1 is trouwens dat je niet alles moet geloven wat er aan de bar verteld wordt.”
Ja, dat had ik ook al bedacht, maar ik was eerlijk gezegd niet eens aan het luisteren. Ik stond gewoon op mijn biertje te wachten.
Ik zeg echter, “O ja? Nou, dan weet ik eigenlijk niet of ik dat dan wel moet geloven.”

Maar goed, ik bleef dus slapen. Een slaapzak had ik wel, maar helaas geen kussen.
Gelukkig lagen er twee op een van de stapelbedden.
Ik pak op goed geluk een van deze kussens en ga liggen.
Maar toen ik me om wilde draaien, besloot ik dat ik volgende keer een eigen kussen zou meenemen. Het is namelijk niet echt een prettige ervaring als je wang aan je kussensloop blijft plakken. Vandaar ook dat ik de rest van de nacht geslapen heb op een opgevouwen jas en handdoek.
Aangezien om kwart voor negen acte de presence zou zijn, ben ik om acht uur opgestaan om me te kunnen douchen, en om nog even te kunnen koffiedrinken.

Ik kan me vergissen, maar volgens mij dateert het clubgebouw uit een tijd dat springen vooral een mannensport was.
Dit meen ik te moeten afleiden uit de Wc’s. De heren wc bevat namelijk twee potten, en twee urinoirs, terwijl de dames het moeten doen met slechts één pot, met daarnaast een douche.
Dus de heren moeten zich bij de dames douchen, terwijl als het dus zeg maar “druk” (ahahaha) is, dan komt het denk ik ook geregeld voor dat ongeduldige dames bij de heren een sanitaire stop moeten maken. Maar dat moet kunnen, toch?

In ieder geval, de eerste mensen waren er om een uur of kwart over acht, toen ik onder de douche stond. Deze mensen waren zo vriendelijk alvast koffie gezet te hebben, voor mij een essentiële component van het opstartregime.
Nu was Wil Wiegerink er dus ook, en kon ik betalen. Het deed pijn.
Ook heb ik die ochtend de Barman, Abbi, ontmoet.
Ik stond mezelf braaf koffie in te schenken toen hij ineens naast me stond.
“KAN ik u helpen”, vroeg hij, op hetzelfde toontje dat ik altijd gebruik als iemand een doodzonde begaat. U weet vast allen wat ik bedoel.
Ik reageerde spitsvondig door “Oh, ik, eh, nou ja..” te zeggen.
Hij legde uit dat je niet zelf hoefde (mocht) pakken als hij dienst had.
Oh. “Nou, prima eerste indruk dan,” zei ik breed grijnzend, en mijn hand uitstekend, “Ik ben Dennis.”
Abbi lacht en schudt mijn hand. Voordeel was dat de Barkeep toen meteen mijn naam kende.

De cursus werd vervolgd met weer een heleboel theorie, zowel herhaling van vrijdag, als voortbordurend op wat er toen verteld was. Het clubje cursisten was uitgebreid met maar liefst nog iemand, Bob. Die was op herhalingscursus.

Vandaag werd valbreken geoefend door ons op een ladder te laten klimmen, en in een bepaalde houding op een mat te laten springen-en-doorrollen.
Nu had ik al ervaring met het “van een keukentrapje donderen”, en had ik dus weinig last van angst. Maar ik kon me voorstellen dat als je eenmaal aan een chute hangt na 4000 Ft. gedaald te zijn, het toch een beetje enger en moeilijker is, temeer omdat voorgenoemde mat dan niet aanwezig is.
Maar laissez faire, dat zien we dan wel.

Verder moesten we ook het “uit het vliegtuig springen” oefenen, door uit een aan de muur genagelde kist te springen.
Hierbij is het belangrijk dat je je met je rechterhand achter je aan de zijkant van de deur vasthoud, je linker op de vloer zet, op slechts een ham gaat zitten met de andere in het luchtledige, en je schouders goed in de wind draait.
Vervolgens kijk je je jumpmaster lieftallig aan, en vraagt hij of je er klaar voor bent.
Je brult een bevestigend antwoord, en hij zal “GO” roepen.
Je zet je af, en daar ga je dan, wel 10cm omlaag de zandbak in.
We waren aan het oefenen, weet je nog.
Op een gegeven moment was Joost zich zodanig aan mijn onbegrijpelijke accent aan het ergeren, dat hij me nariep dat het ook in het Duits mocht.
Ik schud mijn vuist. Mispunt. als hij nou Vlaams gezegd had, alla.
Maar bij mijn volgende exit tel ik dus inderdaad braaf in het Limlands:
"Doezend-ein, Doezend-twjie, Doezend-drie..."
Tsja. U kent mij, dames en heren. Altijd bereid om een intikkertje erin te koppen.

We kregen NOG meer theorie.
Net toen het ons begon te duizelen, was het tijd voor het Schriftelijk Examen.
Je kreeg een aantal meerkeuzevragen, en een aantal open vragen.
Je mocht niet al te veel fout hebben.
Gezien het feit dat Erik gesignaleerd is, terwijl hij angstaanjagend officieel met de formulieren rondliep, maar we er verder niks meer van gehoord hebben, neem ik aan dat iedereen het goed gemaakt heeft.
Het was inmiddels al een uur of zes ’s avonds.
We werden een voor een van het terras gehaald om een harnastest te ondergaan, ofwel het praktijkexamen.
Stel je voor dat je aan het plafond wordt gehangen aan een variant op het tuigje waar je kleine neefje van anderhalf ook inzit, en dat het harnas van een parachute nabootst.

Het zit ontzettend klote, vooral in de regio om voorgenoemd anatomisch kenmerk heen, maar volgens Joost is dat omdat zo’n harnas niet bedoeld is om aan de plafond te hangen, en zit het een stuk prettiger als je onder je parachute hangt.
Om mijn benen zo lang mogelijk nog enigszins van bloed te doen voorzien, mocht ik eerst de reserveprocedure uitvoeren terwijl ik op een stoel stond.
Ik werk dus netjes mijn checklist af.
Hoogte controleren, vrije val-houding aannemen door je benen naar achteren te doen, vervolgens je hoofdparachute afwerpen, en je reserveparachute openen – au!
Bij het trekken aan mijn reserveripcord, waarmee je reserveparachute dus opengaat, kreeg ik een metalen ding op mijn hersens dat uit het plafond was losgeschoten.
Iedereen in het lokaal lag dubbel, ook ik, nadat ik de schade (die meeviel) even bevoeld had.
Joost verontschuldigde zich. “Ik had er niet aan gedacht dat je die pin op je harses zou krijgen als je op de stoel staat,” zei hij.
Hm.
Ja.
Vast niet.

Wat de harnastest vooral inhoudt, is dat degene die hem je afneemt de gruwelijkste rampscenarios voor je verzint die je moet oplossen.
ZO vroeg Josst op een gegeven moment hoe je moet reageren als je met iemand dreigt te botsen. Zonder na ter denken, geef ik het goede antwoord: Rechterstuurlijn naar beneden trekken en linkerstuurlijn omhoog, zodat je in een scherpe bocht naar rechts van de ander wegstuurt.
"En wat nog meer?" vroeg Joost.
Um.
Ik kijk hem aan als voorgenoemd gevleugeld dier, en haal mijn schouders op. Al sla je me dood.
Joost steekt een vinger op, zo van let goed op. Vervolgens draait hij rustig zijn hoofd over zijn rechterschouder, roept keihard "Klootzak!", draait zich terug, en zegt: "Hij mag het best weten, hoor".
Hm. Kweenie. Ik ben dan toch meer van het "subtiele honkbalknuppel op tactisch moment"-principe.

Alle gekheid op een stokje, ik was eerst best nerveus. Het is toch je praktijkexamen weet je wel. Maar Joost verzekerde me dat ik de tijd had, en me niet hoefde te haasten. Het zou allemaal wel goed komen.
En dat bleek, want hoewel ik de eerste keer van de zenuwen zowat mijn halve checklist was vergeten, ben ik toch geslaagd, net als de rest.
Op dit punt zijn we Vincent en Bob weer kwijtgeraakt, want beiden konden die eerste dag door omstandigheden niet springen.
Wij overblijvers mochten ons op het terras vermaken. Het was inmiddels al zeven uur.
Het wachten op onze slot in het springschema duurde voor mijn gevoel ontzettend lang.
Ik was al eens mijn tas gaan inpakken, had al eens hier en daar gezeten, en een broodje gegeten.
Ik snap nu ook waarom er zoveel para’s roken, al mag dat alleen op het terras.
Dan krijg je de tijd tenminste om.
Volgende keer zorg ik dat ik een pak kaarten bij me heb, dan kan ik op zijn minst patience spelen.
Maar toen kwam Joost ons halen.
Omdat het onze eerste sprong was, had hij een wat uitgebreidere stuurbriefing gepland, en wat meer tijd genomen om ons de parachute te laten omhangen.
Hij wees ons de herkenningspunten van de dropzone aan, en ook de windrichting en de lijnen waarop we op een bepaalde hoogte moesten zitten.
Je ziet het; je wordt echt niet zomaar uit een vliegtuig geschopt met een parachute, en zoek het maar uit. Er komt echt wel wat bij kijken eer het zover is.

Anyway, vervolgens gingen we de parachutes dus omhangen.
Bepaalde mensen waren daarbij zo zenuwachtig dat ze hun helm achterstevoren opzetten.
Wat mezelf betreft, ik kwam erachter dat het niet handig is om een boxershort te dragen als je wil gaan springen.
Je hebt dan namelijk kans dat “hij” tussen je beenband en je been zelf komt te zitten.
En aangezien je bij het openen van je parachute best een flinke schok krijgt, kan ik me voorstellen dat je dan je checklist met een wat hoger stemmetje dan gebruikelijk afwerkt.
Ik maakte hier een opmerking over, en iemand, die we om privacy redenen niet bij name zullen noemen, bevestigde dat dat best wel eens eh, klote kon worden.
Hij had het zelf namelijk al eens meegemaakt bij een vrije val, maar gelukkig kwam hij er op tijd achter.
“Hoogte: 12000 Ft.. Het kan nog!” (Grijp, herschik)

Het moet trouwens een feest zijn om met mij je eerste sprong te moeten maken, want ik ga met stress om door in dit geval lugubere grapjes over "frambozenpannekoeken in de wei" en dergelijke te gaan maken. Als ervaren springer of argeloze voorbijganger kun je dat misschien wel waarderen, maar een van mijn medecursisten snoerde me op een gegeven moment de mond. Ik moet bekennen dat ik me daar niet zo heel veel van aan heb getrokken.
Anders krijg ik dus zelf stress.

Twintig voor acht.
Er wordt omgeroepen dat de piloot heeft besloten dat hij de laatste twee springgroepen (sticks) liever omwisselt; eerst de ervaren vrije vallers, en dan wij.
Nou daar zit je dan in je sexy leerlingenoverall, bijna helemaal klaar voor de start.
Daar stond wel tegenover dat we met zonsondergang zouden kunnen springen, een hele bijzondere ervaring, en daarom ook het meest geliefde tijdstip van de dag.
En dat met je eerste sprong..
Het probleem is alleen, als je je parachute eenmaal omhebt, mag je je eigenlijk nauwelijks meer verroeren, omdat anders (ik noem maar een dwarsstraat) je je reserveparachute wel eens per ongeluk zou kunnen activeren, of je hoofdparachute alvast eens afwerpen.

Tien voor acht.
Joost geeft ons de pin-check.
Dit houdt in dat hij nog eens nagaat of er geen levensbedreigende mankementen aan de parachute zijn.
Ik neem aan dat dat zo heet omdat je, als je doodvalt, ’s avonds niet meer met je pinpas je rekening aan de bar kunt betalen.

Als je door die check heenkomt, krijg je in ons geval je static line in je handen, het “touwtje” dat aan het vliegtuig vastgemaakt wordt, en je parachute opent.
Joost loopt weg, en gaat met een aantal mensen staan praten.
Grimmige gezichten alom.
Onze gezichten zijn ook grimmig, we zijn alledrie best zenuwachtig.
Zelfs ik word er stil van.

Vijf voor acht.
We lopen naar het instappunt, en staan er helemaal klaar voor.
Links van ons is een meneer aan het bellen.
Hij draait zich om, schudt zijn hoofd, en beweegt zijn vingertoppen twee keer langs zijn keel.
Het is te donker om nog te kunnen springen.

Wat een ontzettende anticlimax was dat! Ik kan me de laatste keer niet herinneren dat ik zo ontzettend gebaald heb.
Maar iedereen vond het rot voor ons. Joost zei in ieder geval al dat hij er afgelopen zondag en komende zaterdag ook zou zijn, dus als we tijdig iets lieten weten, konden we toch nog onder leiding van een bekend gezicht onze eerste sprong maken.

Dus nu ben ik weer aan het aftellen.
Nog vijf nachtjes slapen, en het is weer zaterdag.