25 Sep 2006, 13:03
Hee.
Een Blogje van Dennis.
Tsja.
Afgelopen weekend was bijzonder genoeg dat ik dat toch even met jullie wil delen.
Vrijdag was namelijk de oratie van mijn oude, eh, vorige baas, Guy Boeckxstaens, die tot hoogleraar werd benoemd.
Leuk praatje, alleen begon de oratie om half drie in plaats van twee uur, zoals in mijn uitnodiging stond, dus dat stuurde mijn schema ietsjes in de war.
Ik moest namelijk uiterlijk om half vijf thuis weg.
Dan had ik wel kunnen weglopen direct nadat Guy klaar was, maar Paul Fockens moest ook nog, dus ja, dan kun je dat slecht maken, nietwaar?
Ook dat was een heel leuk praatje, al moet ik als ik eerlijk wens te zijn bekennen dat ik aan het einde toch wel een beetje zat van, “kut, kut, moel eens door kael..”
Het was iets van half vier, kwart voor vier.
Ik wil achteraan sluiten in de welbekende felicitatierij als ik me de tijd realiseer.
Ik MOEST weg, hoe vervelend dat ook is.
Dus na een paar voormalige collega’s van het Expgen laboratorium van me afgetrapt te hebben (“sorry, volgende week, maar ik MOET nu weg..” ) rende ik zo snel ik kon naar de metro.
Die reed voor mijn neus weg, dus moest ik nog een minuutje of tien wachten.
Eenmaal in Reigersbos aangekomen, rende ik zo snel ik kon naar huis, rukte een stapel boterhammen uit de kast, en propte die tezamen met een halve droogworst in mijn tas.
Halverwege de overkant van de straat realiseerde ik me dat mijn speciaal gekochte gymschoenen nog in de gang stonden mooi te wezen, dus ik ging ze snel halen, en rende weer naar de metro.
Nou ja, rende.. Het was een zware tas. Maar ik liep best wel snel, hoor!
Niet snel genoeg, zo zou blijken.
Wederom reed de metro voor mijn neus weg, en moest ik tien minuten wachten.
Op Duivendrecht aangekomen liep ik nu al twintig minuten achter op schema.
Gelukkig bleek er ook om twee voor half een stoptrein naar Hollandsche Rading te gaan.
Ik daar ingestapt, niks aan de hand.
Met een beetje geluk en een beetje stevig doorlopen kan ik alles nog in de geplande tijdmarge opvangen.
Ik kom aan op Hollandsche Rading, en kijk op mijn kaartje dat ik van 9292ov.nl had gedownload.
Ik hou mijn kaartje ondersteboven
En nog een keer.
En op de zijkant
En de andere zijkant.
Hm.
Ik kijk maar eens op het kaartje van het station.
Helaas bleek dat een andere schaal te zijn, en het verkeerde gedeelte van de omgeving te laten zien.
Hierdoor stonden er geen herkenningspunten van het ene kaartje op het andere, en omgekeerd.
Dus waar moest ik nou naartoe?
Ik loop naar de weg, en vraag aan een meneer die in zijn auto zat te roken welke kant het vliegveld op is.
“Die kant,” wees hij, “Maar waar moet je zijn dan?”
-“eh, bij de springclub”, antwoord ik.
“Oh, dan mag je achterin, dan breng ik je wel effe.”
Nou, fijn! Ik stap in, en trek de deur dicht. (Kids don’t try this at home!)
De meneer krijgt telefoon.
Zijn passagier heeft de trein uit Utrecht gemist, en hij komt een half uur later.
Ik krijg dit mee, en als de meneer ophangt, zeg ik “Nou, pech gehad dan” en wil uitstappen.
De deur blijkt op kinderslot te zitten, en ik schrik me helemaal de vinkentering, zoals dat met een mooi woord schijnt te heten.
Als ik voorzichtig probeer het raam een heel klein stukje te openen, lukt dat wel.
“Nou, dan zet ik jou maar eerst even af,” zegt mijn chauffeur.
Mijn kaartje indachtig, let ik scherp op hoe de man rijdt, maar de route lijkt aannemelijk.
Hij wijst me zelfs de snackbar aan tegenover de weg die je moet inslaan om bij het clubgebouw te komen, en benadrukt dat je de andere weg zeker niet moet nemen.
Als hij stopt bij het clubgebouw, zegt hij “alsjeblieft, je bent er.”
Wanneer ik hem erop attendeer dat de deur op kinderslot zit, verschiet hij helemaal “Oh, sorry.. je zal wel gedacht hebben.”
Zo zie je maar weer, aardige mensen bestaan echt nog. De meneer bleek bij onze buren te horen, de zweefvliegers. En in het kader van het “de ene hand wast de andere-beleid” van de twee clubs...
Neemt trouwens niet weg ik peentjes gezweet heb.
Binnengekomen bleek dat ik ruim op tijd was, aangezien Wil Wiegerink, degene die de inschrijvingen afhandelt, pas de volgende dag bleek te komen.
Fyyyyjn...
Maar ja, daar zat ik dan.
Om me heen werd druk gekletst over de weersomstandigheden daarboven, en over allerlei mysterieuze termen als exit op 12000 Ft en zo.
Dus ik heb wel even als ‘ne gepopden uul bij een groepje gestaan, zoals wij Limbo’s zeggen, maar toen dat groepje buiten ging zitten, ben ik er maar niet achteraan gelopen.
Ook dorst ik niet goed wat te gaan drinken, want er was geen barman, men moest zelf nemen. En om dat meteen al op je eerste avond te doen, of iemand toe te brullen om iets voor je in te schenken is ook weer zoiets, weet je wel.
Dik een half uur later ging een meisje met drie jongens een rondleiding doen.
“Zijn dit de andere nieuwen?” vraag ik aan zo’n jongen.
Hij kijkt me raar aan.
Nou goed, dan loop ik er ook maar achteraan nietwaar?
Op een gegeven moment wordt Een Van Die Jongens, die later Vincent zal blijken te heten, geroepen voor de cursus.
Nou, dan moet ik ook vast daarbij wezen nietwaar?
Dus tot grote verbazing van iedereen loop ook ik naar het cursuslokaal.
De opleiding werd door drie (hulp)instructeurs gegeven: Koos, Erik en Joost, die elkaar tijdens lessen afwisselden. Verder hadden we bekijks van Werner en Bart, die ook hulpinstructeur wilden worden, en dus op ons mochten oefenen.
Ik ben de Nederlandse Taal en Letterkunde niet geheel machtig, dus ik schrijf de eigennamen gewoon zoals die me met mijn boerenverstand/zaagsel aannemelijk lijken.
Behalve mezelf en Vincent dus waren er nog twee anderen, Bas en Kim.
Bas had al eens een tandemsprong gemaakt, maar nog nooit solo gesprongen. Vincent had jaren geleden al eens gesprongen, en zou vandaag eigenlijk alleen maar bij zijn vrienden toekijken. Maar het was hem toch weer beginnen te kriebelen, dus daarom was hij dus op het laatste moment bij de opleiding aangeschoven. of iets dergelijks begreep ik eruit.
Kim, het varken, had gewoon een opleiding gewonnen, en hoeft er dus niet eens voor te betalen!
De cursus zag er als volgt uit: Vrijdagavond van 19.00-22.30 een heleboel theorie, waarbij je (goddank) niks hoefde op te schrijven. De filosofie daarachter was dat als men zit te schrijven verslapt de aandacht, krijg je de helft niet mee, en zit je wat te slapen tussendoor.
Nu werd alles telkens herhaald, en door het telkens te moeten opdreunen ken je ‘meteen’ alles van buiten.
Zo oefende men heel vaak de checklist met ons waarmee je je parachute controleert, en ook die van hoe je je reserveparachute moet openen.
Verder hebben we die eerste dag vanalle informatie voor onze kiezen gekregen, maar wanneer wat precies aan bod is gekomen loopt me een beetje door mekaar.
Aan het eind van de les bleek dat ik de enige was die bleef slapen, wat inhoudt dat je moederziel alleen in een clubgebouw in da middel of nowhere ligt.
Ach ja, precies Kindervakantiewerk zullen we maar zeggen.
Toen we na de cursus aan de bar stonden, was Koos met enkele andere ervaren springers horrorverhalen aan het uitwisselen. Ineens kijkt hij me aan, en zegt, “Dennis, les 1 is trouwens dat je niet alles moet geloven wat er aan de bar verteld wordt.”
Ja, dat had ik ook al bedacht, maar ik was eerlijk gezegd niet eens aan het luisteren. Ik stond gewoon op mijn biertje te wachten.
Ik zeg echter, “O ja? Nou, dan weet ik eigenlijk niet of ik dat dan wel moet geloven.”
Maar goed, ik bleef dus slapen. Een slaapzak had ik wel, maar helaas geen kussen.
Gelukkig lagen er twee op een van de stapelbedden.
Ik pak op goed geluk een van deze kussens en ga liggen.
Maar toen ik me om wilde draaien, besloot ik dat ik volgende keer een eigen kussen zou meenemen. Het is namelijk niet echt een prettige ervaring als je wang aan je kussensloop blijft plakken. Vandaar ook dat ik de rest van de nacht geslapen heb op een opgevouwen jas en handdoek.
Aangezien om kwart voor negen acte de presence zou zijn, ben ik om acht uur opgestaan om me te kunnen douchen, en om nog even te kunnen koffiedrinken.
Ik kan me vergissen, maar volgens mij dateert het clubgebouw uit een tijd dat springen vooral een mannensport was.
Dit meen ik te moeten afleiden uit de Wc’s. De heren wc bevat namelijk twee potten, en twee urinoirs, terwijl de dames het moeten doen met slechts één pot, met daarnaast een douche.
Dus de heren moeten zich bij de dames douchen, terwijl als het dus zeg maar “druk” (ahahaha) is, dan komt het denk ik ook geregeld voor dat ongeduldige dames bij de heren een sanitaire stop moeten maken. Maar dat moet kunnen, toch?
In ieder geval, de eerste mensen waren er om een uur of kwart over acht, toen ik onder de douche stond. Deze mensen waren zo vriendelijk alvast koffie gezet te hebben, voor mij een essentiële component van het opstartregime.
Nu was Wil Wiegerink er dus ook, en kon ik betalen. Het deed pijn.
Ook heb ik die ochtend de Barman, Abbi, ontmoet.
Ik stond mezelf braaf koffie in te schenken toen hij ineens naast me stond.
“KAN ik u helpen”, vroeg hij, op hetzelfde toontje dat ik altijd gebruik als iemand een doodzonde begaat. U weet vast allen wat ik bedoel.
Ik reageerde spitsvondig door “Oh, ik, eh, nou ja..” te zeggen.
Hij legde uit dat je niet zelf hoefde (mocht) pakken als hij dienst had.
Oh. “Nou, prima eerste indruk dan,” zei ik breed grijnzend, en mijn hand uitstekend, “Ik ben Dennis.”
Abbi lacht en schudt mijn hand. Voordeel was dat de Barkeep toen meteen mijn naam kende.
De cursus werd vervolgd met weer een heleboel theorie, zowel herhaling van vrijdag, als voortbordurend op wat er toen verteld was. Het clubje cursisten was uitgebreid met maar liefst nog iemand, Bob. Die was op herhalingscursus.
Vandaag werd valbreken geoefend door ons op een ladder te laten klimmen, en in een bepaalde houding op een mat te laten springen-en-doorrollen.
Nu had ik al ervaring met het “van een keukentrapje donderen”, en had ik dus weinig last van angst. Maar ik kon me voorstellen dat als je eenmaal aan een chute hangt na 4000 Ft. gedaald te zijn, het toch een beetje enger en moeilijker is, temeer omdat voorgenoemde mat dan niet aanwezig is.
Maar laissez faire, dat zien we dan wel.
Verder moesten we ook het “uit het vliegtuig springen” oefenen, door uit een aan de muur genagelde kist te springen.
Hierbij is het belangrijk dat je je met je rechterhand achter je aan de zijkant van de deur vasthoud, je linker op de vloer zet, op slechts een ham gaat zitten met de andere in het luchtledige, en je schouders goed in de wind draait.
Vervolgens kijk je je jumpmaster lieftallig aan, en vraagt hij of je er klaar voor bent.
Je brult een bevestigend antwoord, en hij zal “GO” roepen.
Je zet je af, en daar ga je dan, wel 10cm omlaag de zandbak in.
We waren aan het oefenen, weet je nog.
Op een gegeven moment was Joost zich zodanig aan mijn onbegrijpelijke accent aan het ergeren, dat hij me nariep dat het ook in het Duits mocht.
Ik schud mijn vuist. Mispunt. als hij nou Vlaams gezegd had, alla.
Maar bij mijn volgende exit tel ik dus inderdaad braaf in het Limlands:
"Doezend-ein, Doezend-twjie, Doezend-drie..."
Tsja. U kent mij, dames en heren. Altijd bereid om een intikkertje erin te koppen.
We kregen NOG meer theorie.
Net toen het ons begon te duizelen, was het tijd voor het Schriftelijk Examen.
Je kreeg een aantal meerkeuzevragen, en een aantal open vragen.
Je mocht niet al te veel fout hebben.
Gezien het feit dat Erik gesignaleerd is, terwijl hij angstaanjagend officieel met de formulieren rondliep, maar we er verder niks meer van gehoord hebben, neem ik aan dat iedereen het goed gemaakt heeft.
Het was inmiddels al een uur of zes ’s avonds.
We werden een voor een van het terras gehaald om een harnastest te ondergaan, ofwel het praktijkexamen.
Stel je voor dat je aan het plafond wordt gehangen aan een variant op het tuigje waar je kleine neefje van anderhalf ook inzit, en dat het harnas van een parachute nabootst.
Het zit ontzettend klote, vooral in de regio om voorgenoemd anatomisch kenmerk heen, maar volgens Joost is dat omdat zo’n harnas niet bedoeld is om aan de plafond te hangen, en zit het een stuk prettiger als je onder je parachute hangt.
Om mijn benen zo lang mogelijk nog enigszins van bloed te doen voorzien, mocht ik eerst de reserveprocedure uitvoeren terwijl ik op een stoel stond.
Ik werk dus netjes mijn checklist af.
Hoogte controleren, vrije val-houding aannemen door je benen naar achteren te doen, vervolgens je hoofdparachute afwerpen, en je reserveparachute openen – au!
Bij het trekken aan mijn reserveripcord, waarmee je reserveparachute dus opengaat, kreeg ik een metalen ding op mijn hersens dat uit het plafond was losgeschoten.
Iedereen in het lokaal lag dubbel, ook ik, nadat ik de schade (die meeviel) even bevoeld had.
Joost verontschuldigde zich. “Ik had er niet aan gedacht dat je die pin op je harses zou krijgen als je op de stoel staat,” zei hij.
Hm.
Ja.
Vast niet.
Wat de harnastest vooral inhoudt, is dat degene die hem je afneemt de gruwelijkste rampscenarios voor je verzint die je moet oplossen.
ZO vroeg Josst op een gegeven moment hoe je moet reageren als je met iemand dreigt te botsen. Zonder na ter denken, geef ik het goede antwoord: Rechterstuurlijn naar beneden trekken en linkerstuurlijn omhoog, zodat je in een scherpe bocht naar rechts van de ander wegstuurt.
"En wat nog meer?" vroeg Joost.
Um.
Ik kijk hem aan als voorgenoemd gevleugeld dier, en haal mijn schouders op. Al sla je me dood.
Joost steekt een vinger op, zo van let goed op. Vervolgens draait hij rustig zijn hoofd over zijn rechterschouder, roept keihard "Klootzak!", draait zich terug, en zegt: "Hij mag het best weten, hoor".
Hm. Kweenie. Ik ben dan toch meer van het "subtiele honkbalknuppel op tactisch moment"-principe.
Alle gekheid op een stokje, ik was eerst best nerveus. Het is toch je praktijkexamen weet je wel. Maar Joost verzekerde me dat ik de tijd had, en me niet hoefde te haasten. Het zou allemaal wel goed komen.
En dat bleek, want hoewel ik de eerste keer van de zenuwen zowat mijn halve checklist was vergeten, ben ik toch geslaagd, net als de rest.
Op dit punt zijn we Vincent en Bob weer kwijtgeraakt, want beiden konden die eerste dag door omstandigheden niet springen.
Wij overblijvers mochten ons op het terras vermaken. Het was inmiddels al zeven uur.
Het wachten op onze slot in het springschema duurde voor mijn gevoel ontzettend lang.
Ik was al eens mijn tas gaan inpakken, had al eens hier en daar gezeten, en een broodje gegeten.
Ik snap nu ook waarom er zoveel para’s roken, al mag dat alleen op het terras.
Dan krijg je de tijd tenminste om.
Volgende keer zorg ik dat ik een pak kaarten bij me heb, dan kan ik op zijn minst patience spelen.
Maar toen kwam Joost ons halen.
Omdat het onze eerste sprong was, had hij een wat uitgebreidere stuurbriefing gepland, en wat meer tijd genomen om ons de parachute te laten omhangen.
Hij wees ons de herkenningspunten van de dropzone aan, en ook de windrichting en de lijnen waarop we op een bepaalde hoogte moesten zitten.
Je ziet het; je wordt echt niet zomaar uit een vliegtuig geschopt met een parachute, en zoek het maar uit. Er komt echt wel wat bij kijken eer het zover is.
Anyway, vervolgens gingen we de parachutes dus omhangen.
Bepaalde mensen waren daarbij zo zenuwachtig dat ze hun helm achterstevoren opzetten.
Wat mezelf betreft, ik kwam erachter dat het niet handig is om een boxershort te dragen als je wil gaan springen.
Je hebt dan namelijk kans dat “hij” tussen je beenband en je been zelf komt te zitten.
En aangezien je bij het openen van je parachute best een flinke schok krijgt, kan ik me voorstellen dat je dan je checklist met een wat hoger stemmetje dan gebruikelijk afwerkt.
Ik maakte hier een opmerking over, en iemand, die we om privacy redenen niet bij name zullen noemen, bevestigde dat dat best wel eens eh, klote kon worden.
Hij had het zelf namelijk al eens meegemaakt bij een vrije val, maar gelukkig kwam hij er op tijd achter.
“Hoogte: 12000 Ft.. Het kan nog!” (Grijp, herschik)
Het moet trouwens een feest zijn om met mij je eerste sprong te moeten maken, want ik ga met stress om door in dit geval lugubere grapjes over "frambozenpannekoeken in de wei" en dergelijke te gaan maken. Als ervaren springer of argeloze voorbijganger kun je dat misschien wel waarderen, maar een van mijn medecursisten snoerde me op een gegeven moment de mond. Ik moet bekennen dat ik me daar niet zo heel veel van aan heb getrokken.
Anders krijg ik dus zelf stress.
Twintig voor acht.
Er wordt omgeroepen dat de piloot heeft besloten dat hij de laatste twee springgroepen (sticks) liever omwisselt; eerst de ervaren vrije vallers, en dan wij.
Nou daar zit je dan in je sexy leerlingenoverall, bijna helemaal klaar voor de start.
Daar stond wel tegenover dat we met zonsondergang zouden kunnen springen, een hele bijzondere ervaring, en daarom ook het meest geliefde tijdstip van de dag.
En dat met je eerste sprong..
Het probleem is alleen, als je je parachute eenmaal omhebt, mag je je eigenlijk nauwelijks meer verroeren, omdat anders (ik noem maar een dwarsstraat) je je reserveparachute wel eens per ongeluk zou kunnen activeren, of je hoofdparachute alvast eens afwerpen.
Tien voor acht.
Joost geeft ons de pin-check.
Dit houdt in dat hij nog eens nagaat of er geen levensbedreigende mankementen aan de parachute zijn.
Ik neem aan dat dat zo heet omdat je, als je doodvalt, ’s avonds niet meer met je pinpas je rekening aan de bar kunt betalen.
Als je door die check heenkomt, krijg je in ons geval je static line in je handen, het “touwtje” dat aan het vliegtuig vastgemaakt wordt, en je parachute opent.
Joost loopt weg, en gaat met een aantal mensen staan praten.
Grimmige gezichten alom.
Onze gezichten zijn ook grimmig, we zijn alledrie best zenuwachtig.
Zelfs ik word er stil van.
Vijf voor acht.
We lopen naar het instappunt, en staan er helemaal klaar voor.
Links van ons is een meneer aan het bellen.
Hij draait zich om, schudt zijn hoofd, en beweegt zijn vingertoppen twee keer langs zijn keel.
Het is te donker om nog te kunnen springen.
Wat een ontzettende anticlimax was dat! Ik kan me de laatste keer niet herinneren dat ik zo ontzettend gebaald heb.
Maar iedereen vond het rot voor ons. Joost zei in ieder geval al dat hij er afgelopen zondag en komende zaterdag ook zou zijn, dus als we tijdig iets lieten weten, konden we toch nog onder leiding van een bekend gezicht onze eerste sprong maken.
Dus nu ben ik weer aan het aftellen.
Nog vijf nachtjes slapen, en het is weer zaterdag.